GodsHuis
Twee Zwitserse fietsers hadden bezworen dat er in het gehucht Ros an Mhíl een plek was om te kamperen. Maar na 70 kilometer zwaar trappen daar eenmaal aangekomen bleek daar niets van te kloppen.
Het was koud, het regende onafgebroken en van een camping of kampeerplek was nergens iets te bekennen. Eerst dacht ik nog dat ik niet goed gekeken had. Maar na navraag bij een man of vijf bleek het toch echt waar: in velden noch wegen was een camping te vinden.

Bij een benzinestation kocht ik een broodje om de situatie eens rustig te overdenken. De regen was inmiddels serieus geworden en de kou kroop langzaam mijn bezwete lichaam binnen. Geen camping, geen droog plekje, Tijd voor iets van een plan.
Ik ging terug het tankstation in en kocht proviand om een nacht in de buitenlucht door te komen: een grote fles water, cola, fruit, brood en een zakje nootjes. Mijn rantsoen voor een nacht in de wilde wijde camping-loze wereld.

In de striemende regen fietste ik verder. Kwam op een kruising. Morgen moet ik hier eigenlijk linksaf, maar wat ik daar zag was een troosteloze vlakte van steen, veen, water en wind. Geen enkele mogelijkheid om een tent neer te zetten zonder weg te waaien of weg te zakken. Rechtsaf leek de wereld iets vriendelijker, iets bewoonder. Dus ging ik die kant op.

Na anderhalve kilometer had ik nog steeds niets gezien behalve verlaten bedrijfsterreinen. Vrijdagmiddag — alles dicht, hekken op slot, nergens een mens te bekennen. Maar toen zag ik, een flink stuk van de weg af, een kerk staan.
Aha.
Huizen van God hebben mij op reizen vaker uit benarde situaties gered. In Pakistan werd ik ooit door een groep jongeren bekogeld met grote stenen. Het werd echt gevaarlijk. Ik vluchtte met fiets en al een moskee binnen en werd daar liefdevol opgevangen. In Amritsar, India, werd ik doodziek na iets verkeerds gegeten te hebben. De Sikhs legden me op een bed en verzorgden me anderhalve dag en nacht alsof ik hunnie eigenste familie was.

Ik fietste ik naar de kerk. De deur stond open. Binnen was een schoonmaker bezig de kandelaren te poetsen. Ik legde mijn situatie uit en vrijwel meteen zei hij: “Zoek maar een plekje, ik licht de caretaker (koster/beheerder)wel in.”
Ik zette mijn tent op achter de kerk.
Een uur later kwam de beheerder langs. Een allervriendelijkste man. Hij deed de toiletten voor me open, ik mocht mijn telefoon opladen en hij vroeg meerdere keren of ik verder nog iets nodig had. Diezelfde avond kwam hij nog eens terug om te kijken of alles goed ging. Vanmorgen opnieuw.
Wat zijn er toch ongelooflijk lieve mensen op deze wereld.
Soms denk ik: waarom worden juist dit soort mensen nooit in de rol van machthebber geplaatst? Waarom zijn het altijd van die klojo's?Waarom hebben mensen die zorgen, helpen en omzien naar anderen zo zelden de touwtjes in handen? Ik weet het, lieve lezer, het is natuurlijk een gedachte van een kind. Uit de mond van een 61 jarige man klinkt het wellicht wat ongemakkelijk en naïef. Maar waar gaat het toch mis?
Gisteren had ik een rustdag gepland. Dat moest ook wel, want na acht dagen onafgebroken fietsen begonnen de benen voorzichtig te protesteren. Maar die rustdag viel letterlijk in het water. Het regende de hele dag onafgebroken.



De rit vandaag, van Clifden naar Ros an Mhíl — zo’n zeventig kilometer — voerde door een landschap van bijna totale niets, nothing, zero. Veen, steen, meren, heuvels, verlatenheid. Eindeloze vlaktes waar alleen schapen leken te wonen.


Zelden heb ik door zo’n leeg en desolaat landschap gefietst.
En zelden vond ik leegte zó mooi.
Reacties
Reacties
61, jonkie nog hoor.
De meeste mensen deugen gelukkig Gerrit, en dat is heel fijn.
Je treft het niet man , met al die wolkbreuk
Fijn dat je nog steeds de schoonheid kan zien, weergeven en waarderen
Enjoy
Reageer
Laat een reactie achter!
- {{ error }}