De Lustige Reiziger

HELLJOB

VACATURE

Wij nodigen u uit te solliciteren op de volgende vacature met de volgende eisen en eigenschappen:

- het betreft een explosieve baan met grote verantwoordelijkheden

- u vervult uw functie op verschillende niveau's (6 levels, met als diepste level:
60 meter) en op grote hoogte: 4200 meter

- de gevoelstemperatuur kan behoorlijk varieren (denk aan een sauna en de
elfstedentocht (met de nadruk op 'tocht')

- na 10-15 jaar wordt u gegarandeerd ernstig ziek of u sterft

- u verdient ongeveer 2000 tot 3000 Bolivianoos per maand (= 200/300 euro)

Mocht u na het lezen van bovenstaande nog voldoende motivatie bezitten, lees dan verder.

Hoe ziet een gemiddelde werkdag er uit?

U begint de werkdag met het kauwen van Cocabladeren. Mag u gerust een paar uurtjes over doen. Maar rond 10.00 uur begint dan toch echt de werkdag. Dan werkt u tot een uurtje of 14.00 uur. Dan kunt u van de lunch gebruik maken (geen lopend buffet, helaas). Daarna werkt u tot 19.00 uur. Daarna heeft u de tijd aan u zelf. Wij verwachten u aanwezigheid tenminste vijf of zes dagen per week. Op uw vrije dag, In het weekend, mag u de gewonnen productie verkopen aan de hoogste bieder.

Nog steeds belangstelling? Prima. Fijn. U hoeft geen brief te schrijven. U kunt zo aan de slag. Veel succes!! En pas een beetje op met de explosiven.....

'How are your doing Jerrit?'

Nou. Met 8 staven dynamiet, 3 ontstekers, 1 kg Cocabladeren en nog wat flessen pure alcohol (en frisdranken) in mijn rugzak? Ik moet zeggen. Onder de gegeven omstandigheden: not Bad! Not Bad at all as a matter off fact.

'Heb je je bedacht Gerrit? Ga je alsnog Oruro, folkloristische hoofdstad van Bolivia, plat destroyen?' Nou, ik zou voorwaar met dit explosieve zaakje op mijn rug een heel eind kunnen komen. Maar nee. Ik blijf bij mijn eerder ingenomen standpunt: leven en laten leven.

Als die mensen hunnie leven willen verkwisten met een beetje in de rondte dansen in malle kledij. En een beetje bijzonder onnuttige dingen in elkaar lopen knutselen en boetseren. Moeten zij weten. Tis hun leven. Hun tijd. Hun energie. Ik vind 't sukkels. Maar goed die mogen er ook zijn. Daar lopen er in ons Hollandsche landje ook zat van rond. Kijk maar 's in de rondte. Dat debiele publiek van de toppers. Of die idioten die bij Tros muziekplein of muziek op het Plein (of hoe heet dat kut programma) een beetje ritme- en inspiratieloos staan mee te klappen (en dan nog zeggen dat blanken wel ritmegevoel hebbe, flikker toch op man). Klapvee!!

Gewoon hun gang laten gaan. Sterft vanzelf een keertje uit. Hopefully. Dat tuig.

Lieve mensen. Ik ben naar Potosi gereisd. Een stad waar ik nooit was gekomen. Als mijn fiets het niet had begeven. Ik had het plan om terug te reizen naar Oruro. Om daar te wachten op onderdelen voor mijn fiets. Maar die stad was me maar matigjes bevallen. En daarom besloot ik ter elfder ure om de vlucht naar voren te maken. En met een bus te reizen naar Potosi. 'Daar zullen ze toch ook wel fietsenmakers hebben'. En een postkantoor waar ik mijn fietsonderdelen kan oppikken. En zo geschiedde. Met een van de mooiste (en wellicht gevaarlijkste) busritten die ik ooit heb gemaakt, dwars door de bergen, met veel Lama's en geweldige uitzichten, ben ik na vijf uren bussen in Potosi aangekomen.

Potosi is een geweldig interessante stad. Het herbergt vele historische gebouwen. Geweldige musea ‘s. Een prachtig klooster. En ook in de omgeving is geweldig veel te beleven. Echter. Bovenal is het een mijnwerkersstad. Het ligt aan de voet van de 'Cerro Rico'. Een berg. En niet zomaar een berg. Een berg die grote hoeveelheden zink en zilver bezit.

En ja. Menseigen. Die waardevolle mineralen kunnen daar natuurlijk niet blijven zitten. Die moeten er uit. Die moeten ten gelde gemaakt worden.

Zestienduizend mensen werken dagelijks in de berg om die mineralen te winnen. De meesten van hen werken individueel. Zonder goede medische voorzieningen. Zonder pensioenvoorzieningen. Zonder regels. Maar een klein aantal mijnwerkers heeft zich verenigd in een coöperatie. Er zijn zo'n 40 verschillende coöperaties. Waarin verschillende groepen werkzaam zijn.

Alleen als je werkt in de coöperatieve mijn is er iets van een pensioenplan. Wanneer je tien achtereenvolgende jaren in de mijn hebt gewerkt. Dan heb je recht op een pensioen van 15 dollar per maand. Maar omdat veel mijnwerkers hun pensioen nooit halen, valt het toe aan de weduwe en/of haar kinderen. Als een mijnwerker 50% of meer van zijn longcapaciteit verliest, mag hij ook met pensioen. Als hij dit wenst.

Het mijnwerken gaat van generatie op generatie. Van vader op zoon. Vrouwen mogen in principe niet in de mijn werken. Dat zou ongeluk geven. Maar als de echtgenoot van de vrouw in de mijn om het leven is gekomen. Dan mag de vrouw toetreden tot het gilde van mijnwerkers. En een aantal vrouwen zien het als een eer om hun man op te volgen. In de coöperatieve mijn werken op dit moment vijf vrouwen.

En ja. Sinds 1978 mogen toeristen de mijn bezoeken. De eerste tientallen jaren gebeurde dat nog mondjesmaat. Maar heden te dage is er een ware run op de mijn gekomen. Een twaalftal touroperators bieden 'the tour' aan.

Maar ik heb geen zin in toeristisch gedoe. Geen groepen. Geen toneelstukje. Ik wil het echte leven van de mijnwerker zien. En daarom ben ik naar een man gegaan die tot enkele jaren zelf in de mijn werkte. He is well known in Potosi. Well known omdat ie zich inzet voor betere omstandigheden voor de mijnwerkers. Een soort vakbondsman. Die voor individuele toeristen of kleine groepen op aanvraag een mijnbezoek wil organiseren.

Maar ik wil de man eerste spreken. In de ogen kijken. Zijn naam is Julio Zambrana. Ik zocht 'm gisteren op. Aanvankelijk verliep het eerste contact wat stroef. Maar ik heb me terdege voorbereid. Heb me goed ingelezen. En ik benader hem vanuit een positieve houding maar ook vrij direct.

Ik vertel 'm precies wie ik ben. Wat mijn bedoelingen zijn. En wat mijn bedoelingen niet zijn. En ook wat mijn zorgen zijn t.a.v. een bezoek aan de mijn. En wat ik van hem verwacht. En dat wekt respect.

Hij doet zijn verhaal. Laat alle brieven zien die hij aan de lokale Gouvernement heeft gestuurd. En aan de president Evo Morales. Brieven die vragen om een significante verbetering van de (werk)omstandigheden van alle mijnwerkers. En dat wekt dan weer mijn respect. We kletsen urenlang. Er ontstaat een bijzondere plezierige sfeer met wederzijds respect.

Aan het einde van het gesprek laat Julio zien dat hij een goed zakenman is. En ik laat zien dat mijn onderhandelingstechniek best plezierig en effectief kan zijn. Ik betaal een borgbedrag. En onderteken een contract dat als mij wat overkomt. Julio op geen enkele wijze aansprakelijk is. Prima!
(een bezoek aan de mijn is bepaald niet zonder gevaar. Er komen vervelende gassen vrij, trolleys kunnen losraken en op hol slaan, er dreigt instortingsgevaar en nog veel meer ellende waar in mijn reisgids maar liefst 2 pagina's aan worden gewijd.......)

We hebben een deal.

Morgen ga ik. Met hem. De mijn in. Niks toeristisch. Niks toneelstukje. The real life. That's the way I want it. I believe.......

En zo sta ik vanochtend ruim voor negenen voor zijn office. En om 9.00 uur sharp gaan we op pad. Met een bus. Na korte tijd komen we op het 'minersplaza'. Een belangrijke plek. Hier vonden en vinden demonstraties plaats. Hier werd de eerste mijnwerkers coöperatie opgericht. Dit is een verzamelplek voor alle mijnwerkers. In goede en minder goede tijden.

Daarna gaan we naar de 'minersmarket'. Hier zijn een tiental winkeltjes. Hier worden gereedschappen en andere spullen verkocht aan mijnwerkers (als ze geld hebben).

Ik koop er de nodige spullen: dynamiet, ontstekers, de onvermijdelijke cocabladeren, alcohol, frisdranken, sigaretten, aanstekers en nog meer meuk die de mijnwerkers maar wat graag zouden willen aannemen.

Daarna wordt ik in een pak gehesen. Krijg een helm op. En daar zit dan weer een lamp op. En prop al mijn 'cadeaus' in een rugzak. Daarna neemt een localbus ons mee naar de mijn. De berg heeft in totaal ruim 40 ingangen. Wij nemen er eentje van.

Ik ga nergens omheen draaien: Ik ben gespannen. Ten eerste vanwege de vele waarschuwingen die ik over een mijnbezoek heb gelezen. En gehoord. Maar ook omdat ik aan een hele lichte vorm van claustrofobie leidt. Dat openbaarde zich een jaar of zes geleden bij een bezoek aan de Limburgse mijn.

En enkele jaren geleden werd ik er nog 's fijntjes aan herinnerd tijdens een ARBO cursus waarbij ik me in het stikke donker mocht verstoppen tot de groep mij zou vinden....... Sjezus, wat duurde dat lang...... (nog bedankt Geldersch Landschap-groep bestaande uit....... laat ook maar.....).

Ik maak me ook wat zorgen omdat we zes levels diep gaan: circa 60 meter diep. En drie kilometer ver de mijn in. We zullen in totaal vier uren onderweg zijn. Klimmen. Klauteren. Glibberen, Glijden. 'Ja, u wou niet de toeristische tour, well hier heeft u de niet toeristische toer!!'

De eerste 150 meter zijn niet fijn. Het is knetterdonker. Smal. Glibberig, En on top off this: het is laag. Gemaakt voor die drommelse kabouterkleine Bolivianen. Maar niet voor deze toch niet bepaald klein uitgevallen Hollander. En ik overweeg serieus om terug te gaan. En geef dat ook aan. Maar Julio spoort me aan. Verder lopen. Als het echt niet gaat, dan gaan we terug. Maar nu nog niet. Okay then.........!!

Regelmatig moeten we halt houden. En opzij. De ultra-smalle berm in. Want dan komt er een volle trolley met mineralen naar beneden gerold. Zo'n trolley is geweldig zwaar. En de rails liggen niet allemaal fijn in lijn. Drie mannen moeten het ding afremmen enop de rails houden. Soms drie kilometer lang!!

We lopen verder de mijn in. Ik raak steeds meer op m'n gemak. Het ademen gaat zwaar. Maar ik krijg (nog) lucht genoeg. We komen aan bij een eerste groep mijnwerkers. Er zijn verschillende groepen actief. Elke groep telt circa 10 personen.

Elke individu in de groep moet alle werkzaamheden die er zijn verrichten. Maar wie het laatst binnenkomt (ongeacht ervaring of leeftijd) moet de eerste jaren het smerigste en zwaarste werk verrichten. Deze groep is handmatig de rots aan het hakken. Een gat hakken met een breedte van 40 cm en een diepte van 10 cm duurt ongeveer 2 uren.

Een andere groep is op het vierde level is bezig om de mineralen in een basket te scheppen. En dan wordt het met een lier naar boven gehesen. Van daaruit gaat het in een trolley. En de trolley wordt over de rails naar buiten gereden. En daar verdwijnt het spulletje in een vrachtauto.

Ik begin er steeds meer schik in te krijgen. En als Julio dan ook vraagt of we naar het zesde level zullen gaan (drie kilometer de berg in), zeg in na enige aarzeling 'ja'. Ik moet er even aan denken dat wanneer de boel instort ik geen verhaal voor mijn weblog zal hebben. Maar lang duurt dat denken daaraan niet. We moeten via een smalle schacht, via een smal plankje (over een gat van 50 meter diep, heb ik niet nagemeten, maar had ook geen behoefte om met Julio in debat te gaan over de precieze diepte) zonder houvast en dan via een trap......

Jeetje. We komen bij een groep die net aan het einde van de werkdag en –week zit. We worden matigjes ontvangen. Eerst moet Julio hun vertrouwen winnen. Als dat lukt: ben ik aan de beurt. Ik glimlach wanneer ik denk dat dat moet. Kijk serieus wanneer ik denk dat dat moet. Ik overhandig de cadeaus: 4 staven dynamiet, 1 fles jus d' orange en een flinke zak met Coca bladeren.

Het werkt. De groep geeft aan Julio geen leugenaar te vinden. En ze geven aan dat ik ook deug. Vanaf dat moment vloeit de (pure) alcohol rijkelijk. Het passeert drie keer. En ik moet het opdrinken. En ik moet Cocabladeren kauwen (dat doen zij de hele tijd). En meedoen aan hun ritueel. Ik word omhelsd. Ze willen alles van me weten. Vrouw? Kinderen? Werk? Wat ik van hunnie vind. En ze willen dat ik hen allemaal persoonlijk toespreek. De leider van de groep is een beetje dronken. En daarom neemt de subleider het woord. Hij is serieus. Zet de toon. En spreekt mooie woorden. Daar. Zo'n 60 meter diep. Drie kilometer ver into the mountain.

Na een uur. Stappen we op. We hebben al onze 'cadeaus' geven (ook onderweg hebben we verschillende mannen en groepen het nodige gegeven).

We glibberen, klauteren en klimmen nu weer level voor level naar boven. Ik begin m'n rug en benen van het voortdurende krom lopen, behoorlijk te voelen. Ik stoot m'n hoofd ook vaker. Merk dat ik moe begin te worden.

Uiteindelijk zijn we nog 500 meter van de in- of uitgang verwijderd. Daar lopen we tegen de mineralengod aan: Tata Kaj chu.

Tata Kaj chu is God van de mineralen. Buiten de mijn wordt het Katholieke geloof veelal aangehangen. Echter 'in' de mijn is Tata Kaj chu de God die wordt aanbeden. Tata zorgt ervoor dat de productie hoog zal zijn. En deze God beschermt de 'mijnwerkers' tijdens hun werk.

Ik stel overigens wel voor dat er binnenkort een functioneringsgesprek volgt met Tata. Want met dat mineralenopbrengstdingetje: daar doet ie wel aardig z'n best. Maar dat zonder brokken werken: daar laat ie wel een steekje vallen. Wat zeg ik: een flinke steek. Elke dag worden er mijnwerkers in mindere en meerder mate gewond afgevoerd.

Dat aanbidden van God Tata gaat met het 'schenken' van Cocabladeren. En het drinken van pure alcohol. Eerst worden wat druppels alcohol aan de rotsbodem toevertrouwd. En daarna mag het pure spulletje in een paar slokken naar binnen worden gewerkt. Het aanbidden van God Tata is een serieuze zaak. Geen enkele mijnweker slaat het aanbidden van Tata en het bijbehorende ritueel over.

We lopen naar buiten. En we ontmoeten mijnwerkers die we binnen hebben gesproken. De ontmoeting is hartelijk. We respecteren elkaar.

Het vuil wordt van armen, handen en gezicht gewassen. We schudden nog wat handen. Er volgen wat omhelzingen. En er worden wat mooie levenswensen uitgesproken.

En dan stappen we op. De bus. Terug naar een andere wereld.

Adios!

WACHTWEGEN

Mijn allereerste autootje was een kanariegeel golfje. Gekocht bij buurman Willem Post. Voor op de kop af. Zevenhonderdvijftig ouderwetse guldens. Er zaten in de spatborden enkele niet te missen gaten. Maar dat was niet erg. Die heb ik met plamuur dichtgestopt. Beetje kanariegele verf er op. En je zag er niets..... het eigenlijk nog heel erugh goed.

Nou ja. U begrijpt. Het duurde niet lang of ik stond met mijn gele 'trots' langs de kant van de weg. En niet geheel vrijwillig. Dat zult u begrjpen.......

Ik was lid van de Algemene Nederlansche Wielrijders Bond. En die heb ik toen gebeld. En die kwam. Overzag. En overwon. Na een uurtje of wat kon ik weer verder. Op naar mijn volgende onvermijdelijke pechgevalletje.

Nog geen twee jaar geleden stond ik met mijn behoorlijk moderne Toyota Prius tegen twaalven des 's nachts langs de kant van de snelweg. Iets met de verlichting. De ANWB wegenwacht gebeld. Die kwam. Die zag. En .....overwon niet. Integendeel. 'Meneertje: hier kan ik zo langs de kant van de weg niets mee'. De auto moet naar een garage. Daar meten ze 'm door. En daar kan ie gerepareerd worden. Fijn!

Lang leve de-oude-zo-langs-de-weg-te-repareren-kanarie-gele-voorzien-van-gaten-meukauto's!!

Vanochtend vertrok ik volle goede moed. En iets van gezonde spanning. Ook. Immers. Ik zou de Main Road gaan verlaten. En de komende 200 kilometer een B-weg gaan berijden. De omstandigheden op deze weg lieten zich maar moeilijk raden. Dus. Voldoende water en eten meenemen. Onderdak? Zal waarschijnlijk wel een tent worden. En daarom vertrok ik zwaarder dan normaal. Met voldoende broodjes. En de nodige liters water aan boord. En......een aantal porties avondeten (en ja Gerda: ik heb goed op de voedingswaarde gelet.... Gerda, lieve lezer, heeft mij in Nieuw zeeland in voorbereiding op onze trektochten volledig terecht gewezen op en geleerd dat het niet alleen gaat om VOEDSEL maar ook om de VOEDINGSWAARDE van dat voedsel......dus Gerda, volkorenpasta deze keer hoezeer je weet hoeveel ik van die heerlijk ongezonde witte pastameuk houdt!!!!).

Helaas werd op dag vier van deze reis mijn noodrantsoen (droogvoer) ontvreemd. En daarom heb ik wat pasta en blikvoer ingeslagen. Eigenlijk te zwaar qua gewicht. Maar beter te zwaar en toch eten. Dan licht reizen en aan ondervoeding ten onder gaan.

De zon schijnt. Het wegdek is glad en redelijk vlak. Niets lijkt een wonderschone dag in de weg te staan. Lijkt!

Na 8 kilometer gebeurd er iets dat me in jaren niet is gebeurd (bv niet tijdens mijn ruim 4 maanden Pakistan, India en Nepal-reis). Een lekke band. D.w.z., de achterband loopt langzaam leeg. Meestal komt een lekke band (als ie komt) ongelegen. Maar vandaag niet. Het is prachtig weer. En ik heb de tijd.

Ik ontmantel mijn karretje op een veilige afstand van de weg. Ik besluit niet te gaan plakken. Maar mijn reserve binnenband te monteren. Ik demonteer mijn achterwiel. Verwijder de lekke binnenband. Haal het spijkertje uit de buitenband. En leg mijn reserve binnenband om het wiel. En monteer het hele zaakie weer.

Nu nog even lucht in de band pompen. En Gerrit is weer spekkoper! Shit! De pomp pompt niet. Doet het niet. Het ding is stuk. 'Houd je overal rekening mee. Laat dat ding het afweten'. Ik sleutel. Ik repareer. Ik knutsel. Ik boetseer. Gedurende een half uur. Maar ik moet mijn meerdere in de pomp erkennen. Hij wint. Op punten. Nou, eigenlijk meer op knock out. Hij is zo stuk als maar stuk kan zijn. Er komt geen zuchtje lucht meer uit.

Ik prop mijn vijf tassen en bidons in mijn grote gele verzameltas (handig op het vliegveld, maar nu dus ook) en loop naar de kant van de weg. Ik moet proberen een lift te regelen naar het eerstvolgende dorpje. En daar iets van lucht te vinden. Ik maak een stopgebaar. En probeer daarmee pickup-busjes aan te houden.

Echter. Al die vriendelijk zwaaiende en toeterende bestuurders wanneer ik fiets hebben opeens ontzettende haast. En niemand is van plan mij up-to-picken. Na drie kwartier stopt er gelukkig een auto met laadklep. Twee vriendelijke mannen werkzaam voor een ICT bedrijf, snappen me. Ik mag mee. Het volgende dorpje is gelukkig niet ver. Het is nog wel even zoeken naar een compressor. Maar na een half uurtje zit er lucht in de band. En is het euvel verholpen. We maken de onvermijdelijke (en wat mij betreft dankbare) foto's. En klaar is Kees.

Althans, dat dacht ik.

Ik breng mijn fiets weer in stelling. Voorzie 'm van alle fietstassen. En bidons. En stap op. Met het wegfietsen voel ik meteen dat er iets mis is. Ik wil schakelen. En dat gaat niet. Muurvast. Zit 't. Ik doe nog een trap en........voel ........ voel ..........dat ik mijn versnelling mechanisme in een (1) trapbeweging naar de Filistijnen trap. Naar de klote. Helemaal.

Damned!!!!

Ik stap af. Overzie het slagveld. En realiseer me duizend dingen tegelijk die ik voor de leesbaarheid van dit verhaal zal reduceren tot twee:
1. ik heb bij het monteren van het achterwiel een kleinigheid over het hoofd gezien (ik hoor het de docent bij de fietscursus voor gevorderden....ja ik mocht mij rekenen tot het selecte gezelschap van gevorderden rekenen....mocht.....terug naar de kleuterklas Gerritje....duimpje in je mond.....lekker zuigen jong....... en pas je mondje weer opendoen als de juf je wat vraagt ....).


schakelmechanisme naar z'n grootje.....

Ik hoor die docent dus.....tijdens de cursus nog zeggen..... niet vergeten om .......anders fiets je je versnelling mechanisme naar de klote.......'Nee, ha ha .....natuurlijk niet....., ha ha.....nee dat vergeet ik natuurlijk niet....stel je voor.......NATUURLIJK NIET........ dus wel.........FUCK!!!

Dat was dus 1.

2. Mijn fietsreis vindt hier (voorlopig) zijn Waterloo, want DIE onderdelen heb ik dus niet bij me.........

Ja lieve mensen. Gekloot dus. Ik klungel nog een uurtje of twee. Wat aan. In de onbarmhartig gloeiende en brandende zon. Maar langzamerhand komt al sleutelend het besef naar boven dat het wel 's gebeurd kan zijn met de fietskilometertjes en de stoere plannen die ik nog volop had.

En op dat besefpuntje is deze nietal te vrolijke Gerrit-foto gemaakt;

Voor u. En alleen voor u. Exclusief voor u. Helemaal niet voor mezelf. Misschien voor later of zo. Voor een oud en grijs plakboek. Of zo.

Ik pak alles bij elkaar. En zoek behoorlijk teleurgesteld de kant van de weg op.

Ik weet een busje te regelen. We knallen alles op de laadklep. En gaan terug naar Chalepetta. Het dorpje waar ik vanochtend vertrokken ben. Daar aangekomen zoek en vind ik een fietsenmaker. Met een verwachtingspatroon zo groot als dat ik ooit nog 's de marathon van Rotterdam op mijn naam schrijf of dat we van de zomer nog een Elfstedentoch gaan verrijden leg ik zo goed en kwaad als het gaat de fietsenmaakster het technische probleem uit. Aanvankelijk is de vrouw vol goede moed. Maar .....na 10 minuten trekt ze de conclusie dat deze techniek haar vreemd is.

En dat is niet gek. Dat ze dat niet weet. Ik heb bij de aankoop van mijn fiets mezelf een (1) noviteit toegestaan. Een (1) dingetje. Een (1) gebbetje. Een (1) gadget-achtig dingetje: een Rholofnaaf. Een betrekkelijk nieuwe techniek. Geen ouderwetse derailleur. Maar een ultramoderne naaf met een intern schakelmechanisme. Daar waren goede redenen voor. Voor die keuze. Maar dat voert te ver om nu en hier 's ff fijntjes uit de doeken te doen. 'En ja. Wanneer gaat dat nu stuk lieve volgers'?

Nu dus. Een ouderwets schakelsysteem was hier prima te repareren geweest. Maar dit? Dit kan ik wel shaken. Lang leve de oude meukfietsen en z'n oude meukonderdelen.......

Ik sta mezelf precies een uur toe om mezelf van alles kwalijk te nemen. Mezelf voor de kop te slaan. Boos te zijn. Mezelf...... Een uur. Zestig minuten. Niet langer. En dan is de tijd om. Tijd voor een plan.

Eerst zoek ik een hotel. En vind snel hetzelfde hotel waar ik afgelopen nacht heb overnacht. Met doorzakhangmatligbed en al. Onopgemaakt. Zelfde kamer. Ik kan er zo weer in. Voordeeltje: ik hoef niet (meer) te onderhandelen over de prijs. Die is de afgelopen uren noch gestegen, noch gedaald. Same price. Sjenk joe ferry muts.

Dan maak ik foto's van de ellende. En stuur mijn fietsenboer (de Vakantiefietser) in Amsterdam een mail. En bel 'm 15 minuten later. Ik heb geluk. Hij geeft een avondonderhoudcursus aan fietsers (VOOR GEVORDERDEN) die op reis gaan en iets meer willen weten over ......... (ik zou extra aandacht besteden aan het versnelling mechanisme in het bijzonder van Rholofnaven).

Hij is rustig. Hij is altijd rustig. Hij zal onderdelen opsturen. Ik moet ondertussen een bekwame fietsenmaker vinden. We wisselen gegevens uit.

Morgen zal ik terugreizen naar Oruro. Een grote stad waar ik een paar dagen geleden al verbleef. En daar zal ik proberen een fietsenmaker te vinden die wel van een uitdaging houdt.

'So, that was het pretty much for today'!

Ik heb mezelf al weer getraceerd op een heerlijk gebakje, een lekkere bak anijsthee en een bord vol met vis en patat. Je moet jezelf immers niet te lang kwellen.

Maar zonder dollen. Dit is wel een flink dompertje. Een lelijke streep door de rekening. Door mijn rekening. Normaal vind ik het helemaal niet erg. Strepen door m'n rekening. Integendeel. Dat vind ik juist fijn.

Maar dit is wel een zuur streepje. Ik was nog maar drie dagen verwijderd van Salar de Uyuni. De grootste zoutvlakte die er op onze aardbol te vinden is. 'En daar zou ik op gaan fietsen'. En overnachten. In mijn tentje. En een eitje koken. En pellen. En dan het eitje met zout.........

En ja dat gaat allemaal ff niet lukken. Althans niet over drie dagen.......

Ok! Vannacht lekker slapen. En morgen gewoon weer planmatig de zaken aanpakken.

Alles zal recht komen. Hoe dan ook!

Adios

HOTEL CALIFORNIA

Ik heb het nummer misschien al wel duizend keer voorbij horen komen. En u vast ook.

Het staat vast ook heel hoog in de Top 2000. En ik moet eerlijk zeggen: ik was er niet van op de hoogte. Het nieuws heeft mij nooit bereikt. Heb het nooit gezien. Ik wist het domweg niet. Had er geen notie van. Was er niet bekend mee.

Dat de drummer van the Eagles bij het nummer 'Hotel California' de zang voor z'n rekening neemt. Dat wist ik niet. Ik dacht dat er een enorme stoere zanger achter de microfoon zou staan. En dat die dan dat nummer gloedvol en vol passie aan u en mij een beetje stond over te brengen.

Maar niets van dat alles. Het is de drummer. Bebaard. Ongeïnspireerd en wel. Dat wist ik niet. En dat de overige bandleden een beetje op de voorgrond te staan te gitaren. En te bassen. En wat achtergrondkoortjes voor hunnie rekening nemen. Dat wist ik ook niet.

En wat zij dan weer niet wisten, aan hun ongeïnteresseerde houding en blikken af te meten, dat ze met dit nummer volledig binnen zouden lopen. Binnenlopen zoals het Zeeuwse water tijdens de watersnoodramp van '53. Dat wisten ze vast niet. Dat ze niet lang na deze opname niet meer bij zouden komen van het lachen. Lachen van het aantal kwartjes en dubbeltjes dat ze met deze opname zouden verdienen. Want dan hadden ze voorwaar wel een glimlach op hunnie gezichten getoverd. En dat ze eigenlijk de instrumenten wel in de wilgen konden hangen. En dat ze nooit meer en noot hoefden te spelen. Dat wisten ze vast niet. En met name dat laatste is wat mij betreft eigenlijk wel behoorlijk jammer.

Gisteren ben ik uit de best wel grote stad Oruro vertrokken. Ik had u beloofd alle folkloristische dingetjes met de grond gelijk te maken. Maar ik heb me bedacht. Je kunt niet voortdurend met een gewelddadig geweten rondfietsen. En daarom heb ik mijn hand over mijn folkloristische hart gestreken.

Ik heb koers gezet naar Uyuni. In de buurt van Uyuni ligt Uyuni de Salar. De grootste zoutvlakte ter Wereld. En er is nog wel iets meer over dit zoute meer te zeggen. Maar daarover later meer.

Ik zal ongeveer 350 kilometer moeten afleggen. Om er ook echt te geraken. En daar ben ik gisteren dus mee begonnen. De weg is fantastisch. Rustig qua verkeer. En vrij vlak. De wind doet ook gezellig mee en waait een beetje. En ook nog in de juiste richting. Wat wil deze fietser nog meer?!

En zo rolde ik gistermiddag Poopo binnen. Een voormalig en stoer mijnwerkersstadje. Het hotel is van het niveau: Dr. Ernst Janssen Steur. Illegale hartoperaties. Klinisch dood. We zetten lichaamsdelen af, Maar meestal de verkeerde. U heeft een beeld. Van de sfeer.

Wat de fantoompijn enigszins verzacht is dat pal naast het hotel een internetafé zit. Ik beantwoord er wat mailtjes en kan eindelijk weer wat foto's toevoegen aan mijn verhalen op mijn weblog. Een meisje naast me kan een licht gejuich niet onderdrukken. Ik vraag haar wat de euforie teweeg brengt. Ze heeft zojuist haar examencijfers via de computer ingezien. Ze laat ze me zien. Laat ik het zo kort mogelijk voor u en vooral mezelf samenvatten: ze zijn allemaal van het niveau waar ik vroeger alleen maar in mijn stoutste dromen kon snurken. Ze deelt de goede resultaten meteen met haar vrienden op 'gezichtenboek'. Had ik ook gedaan. Voor zeker. Als Facebook had bestaan. En nog meer als ik zulke cijfers had gehad.

Pal en meteen weer naast dit internetcafé. Ligt een zwembad. En ondanks het feit dat het behoorlijk fris is. Neem ik een duik. Verrast kom ik boven. Het water is knetterheet. Het blijkt dat het water rechtstreeks van een vulkanische berg afstroomt. Het wordt ergens opgevangen en met een buizensysteem rechtstreeks naar het zwembad gevoerd. Het is ZO warm, dat wanneer ik uit het bad stap, ik even van de Wereld raak. Het verschil tussen knetterwarm en best wel fris is te groot. In het Hotel kost het een uurtje voordat ik weer helemaal boven Jan ben.

Vanochtend ben ik uit Poopo vertrokken. Het wegdek gedraagt zich plat en vals. Je denkt dat je op een vlak wegdek fietst. Echter, het gaat toch steeds behoorlijk op en af.

Rechts van me ligt het Lago Poopo een beetje te liggen. Het is niet zomaar een meertje. Het is 90 kilometer lang. En 32 breed. En het hele meer voelt zich het meest prettig op een hoogte van 3700 meter. Ik volg het spoor. Aan de linkerzijde van de weg verrijzen hoge bergen. Tussen de weg en de bergen groeien cactussen. Cactussen zoals u die misschien in een bloempotje hebt staan. Alleen deze zijn menshoog.

Ik probeer er met eentje wat aan te pappen. 'Misschien wil ze wel verkering'. Alleen. Ik heb me dagen niet geschoren. En deze cactus houdt niet zo van prikbaarden. Tja.....dat gaat 'm niet worden. Da's trekken aan een dood paard. Verspilde energie ook. Niet aan beginnen. Kost alleen maar geld (Cactussen zijn nogal veeleisend....dat weten jullie niet, maar ze moeten naar de film, altijd de meest recente....dus de duurste.......uit eten, mooie cadeaus, tis niet gauw goed....bij een Cactus). Kost ook bergen met tijd. En dat heb ik eigenlijk niet. D.w.z. die bergen gaan nog wel lukken, maar de factor tijd. Dat is een dingetje. En daarbij: verwacht eindresultaat: 0 komma 0. Laat die Cactus maar mooi in haar eigen sop gaarkoken. Verder dus maar!!

Ondanks dat de etappe vrij vlak is, is mijn energie rond 15.00 uur voor een belangrijk deel uit de beentjes gevloeid. Ik weet niet precies waar die energie blijft. Maar in m'n benen zitten doet het in elk geval niet meer. Ik blijf steken (om in Cactustermen te spreken) in Challapata. Val het eerste (dus voor ff het beste) restaurant binnen. En vul daar mijn energievoorraden weer een ietsje aan.

Daarna fiets ik het centrum in en vind (na behoorlijk wat zoekwerk) mijn eigenste 'Hotel California'. Een kamer. Op de 1e verdieping. Met uitzicht op een bloeiende Cactus (dus dat wordt geil dromen).

De kamer is voorzien van 3 doorzakbedden. Type: hangmat. Geen douche. No toilet. Stromend water? Dacheteffenie. En verder ook niets. De prijs is er naar. De vermoeidheid ook. Ik ga akkoord. En sluit een contract voor een (1) nachtje.

Daarna slof ik vermoeid en wel het roestige centrum in. En vindt tot mijn stomme verbazing een soort van theehuisje. Waar ze anijsthee en lekkere gebakjes serveren.

De TV loeit. Hard! Hotel California.

Adios

VISWATER

In eigenlijk alle dorpjes en steden die ik aandoe voel ik me meteen thuis.

Iets met een vis. Iets met water. Vrijwel meteen, nadat ik me geïnstalleerd heb in iets wat voor een ‘onderkomen’ door moet gaan, ga ik al op pad. En verken dan de omgeving. En dat voelt eigenlijk mestaal meteenwel goed. En soort van thuiskomen. ‘Where ever I lay my Head’....ja, wie zong dat? Yes. Paul Young maar wel gecoverd by the way. Ok, en dan nu de kijkersvraag: van wie was het origineel?

Goed, ik gun u enige bedenktijd.


En toen ik zo halverwege deze middag de best wel grote stad Oruro binnenrolde. Voelde dat ook zo. Ik stond even op mijn kaart te turen. Toen er vrijwel meteen drie zeer zelfbewuste studentes op me af kwamen (waar waren die meisjes toen ik zestien was?). Die zonder enige aarzeling vroegen of ze met me op de foto mochten. Waarbij ik natuurlijk als tegenprestatie vroeg ik een van de drie dan een foto van mij met hen wilden maken. En zo geschiedde. We kletsten nog wat na. Over hun studie. En mijn reis. En toen splitsen onze wegen weer.

Wat een fijne eerste kennismaking met Oruro.

Echter, de prille, net ontluikende en ophet eerste gezicht nogal heftigeliefde was van korte duur. In Oruro is niet geweldig veel te beleven. En de stad is nogal grijs. En grauw. Een beetje het Luik van België. De voorsteden van Parijs. het Paterswolde van Groningen. Het Nieuwegein van Utrecht. Het Biddinghuizen van.......Laat maar. Anders verlies ik teveel volgers.

Nou ja. Grijs. Regenachtig. En grauw dus. En daarom trok ik na een verblijf van anderhalve dag Oruro al weer verder. Op naar nieuwe avonturen.

Daarom volsta ik dit keer met de 5 leukste, aardigste, meest kenmerkende Oruro-foto's:

Adios!
(oplossing van the where ever I lay my Head-vraag: Marvin Gaye)

GELUKPECH

Soms heb je geluk. Soms het je pech.

Ja ja. Ik weet 't. Er zijn natuurlijk nog wel meer smaken. Maar ik wil het in dit voorbeeld graag beperkt houden tot deze twee mogelijkheden. Niet dat u het dan niet meer zou snappen. Maar ik houd het graag overzichtelijk voor mezelf. Ik raak nu eenmal niet graag verstrikt in mijn eigen voorbeelden. U zou het natuurlijk allemaal wel fijn vinden. Een verstrikte Gerrit. Ja ja, lieve volger. Dat begrijp ik. Echter dat plezier ga ik nu ff niet gunnen. Ander xtje misschien.

Een van de dingen die je vooral niet moet denken als je een ander land binnenfietst is dat alles hetzelfde is als in het land er voor. Neem nu bijvoorbeeld Peru waar ik toch wat fietsweekjes doorheen ben getrokken. En neem Bolivia. Wat ik momenteel aan het doortrekken ben.

Twee landjes in Zuid Amerika. Netjes tegen elkaar aangeplakt. Niets aan het handje zou je zeggen. Haal de grens en zijn wachters weg. Plak het hele zaakie aan elkaar. En je hebt PeBo. Iedereen blij. De hele meute tevreden. Voor het donker naar huis. Klaar is de Peruviaanse en Boliviaanse Kees(hond).

Echter. Zo werkt het niet. Dat wist u ook al. Ja, u wel. Maar ik vergeet dat soort dingen soms. Bijvoorbeeld als ik de grens naar Duitsland oversteek. En dan nog net ff een lekkere zak katjesdrop wil scoren. Forget it. Of als ik hinkstapsprong doe vanuit Belgie de grens over naar Nederland. En ik wil in een Hollandsche cafetaria net zulke lekkere friet met mayo als in Belgie wegsmikkelen. Mooi niet.

En het overkomt me momenteel weer.

In Peru waren de dorpjes op redelijke fietsafstand te bereiken. Na een uurtje of twee was er altijd wel iets van een dorpje. En in zo'n dorpje was ook altijd wel iets eetbaars verkrijgbaar. Er stond altijd wel een vrouwtje iets te bakken. Vaak iets volledig ondefinieerbaars. Maar meestal prima binnen te houwe. Vers fruit was ook in voldoende mate verkrijgbaar. En des s' avonds als deze vermoeide fietser een plekje zocht om te slapen. Dan hoefde hij niet lang te zoeken. Heerlijk fietsland!

In Bolivia liggen de zaakjes toch net ff anders.

Het land staat er in veel opzichten veel minder goed voor dan Peru. Het is armer. Desolater. Droger. Minder welvarend. De mensen leven hier buitengewoon simpel met weinig voorzieningen. De afzonderlijke dorpjes liggen een stuk verder uit elkaar. Voor gemotoriseerd verkeer een peuleschilletje. Die afstanden. Maar voor een fietster is het toch net ff andere koek.

En da's nog niet alles. Lang niet elk dorpje heeft iets van voorzieningen. Dat willen zeggen: in elk dorpje is wel geklooi met olie en brandstof. En met metaal. En opvallend veel gedoe banden. Maar een winkeltje? Om je voorraden aan te vullen. Of een eetlokaaltje? Om je energielevel weer wat op peil te brengen. Ho maar! En een en ander zou allemaal nog niet zo'n probleem hoeven zijn. Als er op mijn navigatiekaart maar bij zou staan dat het dorpje in kwestie zich heeft toegelegd op olie en brandstoffen. En dat het zich heeft gespecialiceerd in metaal en bandenmeuk. En dat de doelgroep 'Hollandsche fietster' voor even van het prioriteitenlijstje is geschrapt. Als dat het geval was. Dan kwam in niet in de problemen. Daar kon ik daar rekenschap mee houden. Dan kon ik mijn maatregelen treffen. Dan kon ik mijn dagplan daar op afstemmen. Dan kon ik elke ochtend een kloppende projectbegroting mak......... Afin, afgaande op uw buitengewone inteligentie heeft u the picture zo langzamerhand wel te pakken denk ik zo.

Bolivia is dus anders fietsen dan Peru. Een stuk anders.

Wat het ook anders maakt is dat het aantal overnachtingsplaatsen beperkt is. Ik kom er achter dat er in sommige dorpjes helemaal niets, nada, niente, knots te doen is op het gebied van 'let's have a good snurk!' En ook hier moet ik elke dag maar weer zien of op het punt waar ik de totale uitputting heb bereikt, er ergens een slaapplekkie voor mij is.

Vandaag heb ik geluk. Aan het einde van de middag rol ik Caracollo binnen. Daar is een soort truckstopplek (ook lange afstandsbussen stoppen er). Men stopt er voor een sanitair ogenblik. Maar de passagiers kunnen er ook bijtanken. In het restaurant. De meesten nemen een Sopa vooraf. En daarna een Segundo. Vandaag staat 'Milanesa' op het menu. Pasta met een flinke homp vlees (beef), wat salade en Aroz (rijst).

Ik doe mee. Flink ook. Want ik ben flink uitgehongerd en uitgedorst. Vanochtend nog had ik de hoop dat ik gedurende de 70 km die ik zou afleggen, wel ergens bij kon tanken. Dat viel tegen. Ik zou het bijna echt afleggen. De dorpjes die ik doorkruistte hadden ff niet op mijn gerekend. Als ik met een auto was geweest, had ik geen probleem gehad. Olie verversen. Nieuwe banden. Spatbord uitdeuken. Overal had ik terecht gekund. Maar een lekkere soep. Wat rijst. Een banaan. Of een Mango. Dat was net ff teveel gevraagd. Misschien wel een leuke bijverdienste, wat rijst, een sopa, wat vers fruit verkopen voor de olieuitdeukendebrandstofmetaalindustrieachtigebedrijfjes..........is een tip, doe er uw voordeel mee!

Ik ben al drie dagen bezig om de stad Oruro te bereiken. Afstand: 250 kilometertjes. De weg die ik moet gaan is onaangenaam. Druk. En ik weet niet precies of ik nu geluk of pech heb met deze weg. Want. Aan de hele weg wordt flink getimmerd. Niet echt natuurlijk. Want als men echt aan de weg zou timmeren. Dan zou het resultaat het omgekeerde zijn van wat men hier probeert na te streven. Namelijk een betere weg realiseren.

Nee. Naast het bestaande wegdek wordt een nieuwe weg aangelegd. Ik denk dat het doel is om een tweebaansweg te creeeren. Sommige delen zijn al voorzien van een mooie asfaltlaag en in principe rijklaar. Maar al deze delen zijn nog niet opengesteld voor verkeer. En daar fiets ik dan lekker op. Vrij van achteropkomende moordzuchtige en kill and destroy bereid zijnde trucks- en buschauffeurs.

Dat is dus mijn gelukkige kant van de medaille.

De pechkant is dat ik ook regelmatig te maken krijg met grote delen opgebroken weg. Met puin. Grof puin. En daarover moet ik me dan een weg zien te banen.

En. Nog iets van een pechkant. De wind. Die is wederom de grote breker van het fietsspel. Vlagerig blaast ie me van opzij bekant omver. Het is geen pretje.

Dus ik zit me de hele dag af te vragen (mocht u denken wat zit ie zich toch de hele weg af te vragen.....): heb ik nu geluk met deze weg. Of pech?

Hoe dan ook. Het eerder genoemde restaurant voorziet ook in slaapplekken. Ik overzie de kosten. De reinheid van de kamer. Pak mijn vermoeidheid. Neem daar de wortel (erugh gezond by the way....) van. Deel het door het priemgetal. Doe het maal 16 (datum van vandaag, dat u niet denkt dat ik willekeurig dingetjes zit ........), en verminder het getal met 48 (nog net mijn leeftijd) en .........heb geen idee wat ik met de uitkomst moet.

De uitbaatster van dit onderkomen ziet mijn gereken met stijgende verbazing aan. Ik betaal haal snel de 60 Bolivianos en duik onder. De Douche.

Morgen volgt de rit naar de Folkoristiche hoofdstad van Bolivia: Oruro. En u weet: ik ben gek op Folkoristische meuk. Rietmandenvlechten, klompendansen, punniken, breiclubjes. Niets is mij te gek. ECHT WAAR!!!!!!!!!!!!!

Ik heb mijn GUN al in de aanslag. Ik ga ze uitroeien!!! Stuk voor stuk. 1 voor 1. Allemaal!!!!!

(Mocht u niets meer van mij horen: u kunt kaartjes sturen naar de San Pedro gevangenis te La Paz, u heeft mijn naam TOCH?).

Adios

TOK

Het is een uurtje of zeven. Des s' ochtends.

Ik neem vijf slokken sinaasappelsap. Heerlijk spul. Daar zal ik het voorlopig mee moeten doen. Daar zal ik mijn kilometertjes mee rond moeten trappen. Er zijn namelijk geen eetvoorzieningen in dit dorpje. Ik zal mijn ontbijtje moeten uitstellen.

Ik breek mijn tentje op. Pak het hele zaakie in. En begin te fietsen. Ik moet al snel de strijd staken. Voor even. De handschoenen moeten aan. Het is maar 6 klein nulletje C, Mij is al verteld dat hoe zuidelijker ik zal gaan hoe lager de temperaturen zullen zijn. En die voorspelling begint zich langzaam te bewijzen.

De weg stijgt wat. Daalt wat. En mijn grote vriend 'de wind' is ook weer van de partij. Gelukkig maar. Zonder deze 'vriend' zou het maar een saaie bedoeling zijn. Maar hij is nogal nadrukkelijk aanwezig. Hij waait. Hij woeit. Hij stuift. Hij wuift. Maar nooit vanuit de richting die ik graag zou willen.

Gaandeweg wordt het weer lekker warm. En kunnen de handschoenen en de laagjes kleren weer onder mijn fantastische netje dat ik over mijn achterassen heb gespannen. Dat netje is een uitkomst. Ik hoef dan niet steeds mijn fietstassen te openen. Maar prop de zooi gewoon onder mijn elastische netje.

En ik smeer meteen maar weer met zonnebrandcrème. Want zonder die meuk verbrand ik alive. Halverwege de dag is de temperatuur al weer opgelopen tot een graadje of 28 (s' Avonds daalt de temperatuur tot dichtbij het vriespunt, althans dat verteld men mij, ik ga het natuurlijk niet zelf checken, ik heb wel betere dingen te doen......tuurlijk....je dacht toch niet dat.......).

Na 15 kilometer openbaart zich een oase aan de horizon. Ik kan het bijna niet geloven. Ben oprecht verrast. En eerlijk gezegd ook wel een beetje blij.

Uit het niets staan er opeens drie hotels/restaurants langs de weg. Ik stop. Loop naar binnen en stal mijn fiets ook binnen op een plekje waar ik 'm in het oogkanhouden. Niet veellater zit ik achter een bak anijsthee. En twee broodjes gebakken Huevo (ei). Tjonge, daar had ik in de verste verte niet op gerekend. Wat komt me dit goed uit. Naast het restaurant zit een winkel waar ze alles verkopen. Ik sla ruim in. Mijn ervaring in Bolivia is dat als je eenmaal zo'n plek hebt, dat dan de eerste 100/150 kilometer er weer ff niets is waar je alles is.

Ik fiets verder. Maar nu met een volle maag. En dat fietst toch net ff fijner.

Er wordt hard aan de weg gewerkt. En regelmatig veranderd het asfalt in een puinbaan. En omdat er ook nog wel 's wat water uit de hemel valt, veranderd zo'n puinbaan in een kleiige glijbaan. Leuk voor the kids. zo 'n attractie. Maar voor mijn betekend het dat ik me behoedzaam moet voortbewegen teneinde niet in een kleimannetje te veranderen.

Rond 15.00 uur geraak in het dorpje Sica Sica.

Ik overweeg om door te fietsen. Maar navraag of er in het volgende dorpje ook iets van onderdak is leert me ........ tja, leert me eigenlijk niets. De meningen zijn namelijk nogal verdeeld. Het ene kamp zegt dat er wel een Alogimento is. Maar weer anderen bezweren me dat er niets te vinden zal zijn (de laatste groep blijkt bij nader inzien gelijk te hebben....). In Sica Sica is zeker wat te vinden. Daarom blijf ik plakken.

In het Alogimento San Pedro (hopelijk geen depedance van de gevangenis) wordt mij een kamer aangeboden voor 25 Bolivianoos (2,5 euro). Een zeer eenvoudige kamer. Met doorzakbed. Ik denk speciaal gemaakt voor mij. De douche zou warm zijn. Maar dat wordt altijd beloofd. En dat kan ik me hier bijna niet voorstellen. Maar eerlijk is eerlijk. Als je alleen de 1e minuut in beschouwing neemt. Dan is het zo. Vanaf minuut 2 wordt het lauwwarm. Vanaf minuutjenoemero 3: ijs en ijskoud. De uitbaters zijn overigens allervriendelijkst. En dat verwarmd het ijslichaam enigszins........

Ik heb wat reparatiewerk aan mijn fiets te verrichten. Gedurende een paar dagen is er iets van een schurend aanloopgeluid. En dat is niet helemaal hoe de fietsontwerpende verkoopboer het ooit bedoeld heeft. Dat aanlopen moet 'm ergens in zitten. Het kost me toch al snel anderhalf uur sleutelen voordat ik het euvel verholpen heb.

Het zou een zeer rustig nachtje kunnen worden hier. Ware het niet dat een deel van de mannen die aan de 250 kilometer lange weg van La Paz naar Orouro werken er ook hun onderdak vinden. En dat onderdakvinden schijnt niet helemaal zonder het gebruik van enige alcoholische versnaperingen gepaard te kunnen gaan. Nog steker. Helemaal niet zelfs. En hoe later de avond.......

Ik eet voor de verandering als diner maar weer 's: kip met patat.

Toooook, tok, tok, tok tok tok.............

ERYTHTOXYLUM COCA

Ik kan me maar moeilijk losweken van La Paz.

Ten eerste. Omdat La Paz een vreselijk boeiende stad. Mooi gelegen met oudeoude wijken die in de vallei liggen. En de rest van de stad is om die vallei heen gebouwd. De hoogteverschillen zijn immens. Prachtig mooi!

De stad herbergt vele musea. Oude gebouwen. En ook meneer de President Evo Moralies zetelt in het Presendential Paleis. Je kuntgemakkelijk een dag of vier in La Paz doorbrengen.

En dat heb ik ook gedaan.

Ik heb het Cocamuseum bezocht. Daar was ook een goede reden voor. Want Coca wordt zowel in Peru als Bolivia op elke straathoek aangeboden. Je kunt het niet ontlopen. Het kost geen drol. En iedereen heeft wel een hoeveelheid op zak. Officieel is het spulletje illegaal. Maar eh.... het woord 'gedoogbeleid' moet hier wel uitgevonden zijn. Men gebruikt het in de thee (ik ook soms) echter het wordt veelal gekauwd.

Heden te dage wijt men er een groter uithoudingvermogen aan. Ook zou het helpen bij hoogteziekte. Maar volgens mij is de hallucinerende werking ook een fijn bijverschijnsel.

In 1886 komt er een drankje op de markt. Met als basis Coca. U voelt 'm al van verre aankomen........: Coca Cola. Dit drankje was de voorloper van onze Coca Cola. Voorloper. Want dit drankje bevatte cocaïne. Een van de belangrijkste werkzame stoffen van Coca. In 1912 verdween de cocaïne uit de Cola. Dus no worries!

Ook heb ik de Generale Begraafplaats bezocht. In Bolivia worden overleden personen gedurende tien jaar begraven. Daarna worden de lichamen opgegraven en gecremeerd. De as wordt bijgezet.

Wanneer ik een bezoek breng aan de begraafplaats is het een drukte van belang. Oude. Maar vooral jonge mensen verzorgen het graf van hun geliefde. Verse bloemen worden gebracht. De ruitjes worden gereinigd. Het cement schoongemaakt. En soms wordt er muziek gemaakt. En wordt er gehuild. Erg indrukwekkend allemaal. Hoe hier met nabestaanden wordt omgegaan.

En dan is daar nog de San Pedro gevangenis. Een hele bijzondere gevangenis. Gelegen aan een zijde van hoe kan het anders: het San Pedro plein. Overigens weet ik niet wie er eerder was. De gevangenis of het plein. Dus wie nu naar wie vernoemd is? Raadseltje.

De gevangenis is opgedeeld in compartimenten. Gevangenen met weinig geld verblijven in het laagste compartiment. Daar zijn nauwelijks voorzieningen. Maar je kan ook voor 500 euro per maand in een gedeelte verblijven waar alle voorzieningen zijn. TV. Ligbad. De hele meuk. Voor de meeste mensen is dit echter niet weggelegd.

Om in de gevangenis te verblijven moet betaald worden. Dat geld kan verdiend worden met het verrichten van werkzaamheden in de gevangenis. Ook kan een handeltje worden opgezet waarmee geld kan worden verdiend. Verder is het bijzonder dat de gevangenen vergezeld mogen worden door familie. Sommige familieleden wonen er ook. En die kunnen in en uit lopen. Handel (bv. drugs) kan dus op die wijze naar binnen en naar buiten gesmokkeld worden......

Het is mogelijk om volledig illegaal binnen een kijkje te nemen, maar dat kost veel geld. Bewaarders met een minder rechte rug hebben nl een soort van rondleiding/bezichtingtour georganiseerd. Er wordt wel een behoorlijke tegenprestatie van de toerist verwacht. Een aardig sommetje aan Bolivianoos.

Ik ben ook benaderd. Maar heb er vanaf gezien. Er zijn nl 3 risicio's:
1. je betaalt geld, maar ze komen hun afspraken niet na (je komt dus nooit binnen)
2, je bent binnen, maar wordt aan je lot overgelaten (tussen de gevangenen..... er zitten veelal zware jongens...
3. je bent binnen maar wordt gepakt door een bewaker die niet in het complot zit. gevolg kan zijn dat je wat langer binnen zit dan gepland.....

Ik neem de gok maar niet. Ik heb net de Death Road overleefd. Je moet het geluk niet voortdurend tarten.

Wel wil ik een foto nemen van de hoofdingang (is verboden!!!). Net als is dat sta te doen, gaat de deur open. Zie hier een klein inkijkje in het gevang:

Over de San Pedro gevangenis is een bijzonder boek verschenen. als ik terug in Hollandse sferen ben ga ik dat boek 's lezen.

De tweede reden dat ik me maar moeilijk kan losweken van deze stad heeft een geheel andere reden. Afgelopen vrijdag, weet u nog?, rolde ik met veel bravoure de stad binnen. Elf kilometer stijl naar beneden. Gemiddeld dalingpecentage: 6%. Niets aan het handje. Kind kan de was doen. Het leven van deze fietser was heerlijk. Was. Toen wel.

Want om vandaag in de juiste richting te geraken moet deze jonge...........dezelfde weg .................. weer naar boven. Why Gerrit? Nou, om in de richting van de stad Oruro te geraken. Daar wil ik naar toe. Anders zou het geen bal uitgemaakt hebben. Dan had ik net zo goed een andere richting uit kunnen karren. En dan had ik het nog gedaan ook.

Ik vroeg gisteren aan de hoteleigenaar in welke richting ik vandaag moest gaan. Hij was de eerste die de onheilstijding bracht. En ik weet niet of je het herkend: maar als de uitkomst me niet bevalt, dan vraag ik het dan altijd aan een tweede persoon. Dezelfde vraag stellen en dan hopen dat er een andere uitkomst is. Maar helaas. De duizend drieënzestig andere personen die ik het vroeg kwamen allemaal met dezelfde uitkomst. Via de autopista ALL THE F@$#%&KING WAY UP SENIOR. Mucho Gracias!!!!!!!!!

And that's what I am doing now. Going up!!!! And men oh men. Da's geen fijn begin. Van mien fietsdagje. Net fijn hersteld van mijn eerdere inspanningen. Na vier fiets loze bijkomdagen. En dan dit.

Het begint ook meteen vanuit de entree van mijn hotel. Jeetje. Want een klim. Knoerten. Ploerten. Bezemen. De ventielen willen verlost worden van de druk. Het frame buigt. De ketting kraakt. De banden weten het niet meer. En ik al helemaal niet meer. Ik moet er regelmatig even vanaf. Rust. Pauze. Bijtanken. Na 1 uur en 52 minuten en 23 secondjes later bereik ik de top. En daar heb ik deze foto gemaakt:

Ik trakteer mezelf op een heerlijke Sopa. En kom. Doe de Segundo er ook maar bij. Soep en rijst met een lap vlees die ruim over het bord buigt des 10.00 uur s' ochtends. Met een Colaatje erbij. Toe maar!

De rest van de fietsdag verloop vrij vlak. Maar tot zover het goede nieuws. De wind is spelbreker. En het verkeer nog meer. Heeft u mijn horen klagen over de Peruviaanse verkeerdeelnemer? Lieve mensen: dat had ik beter niet kunnen doen. Dat was niets vergelijk met zijn Bolviaanse soortgenoot. Op deze weg is het gekkenhuis. Ik moet echt met grote regelmaat de berm in. 'En als die er niet is Gerrit?' Dan toch. Bolivianen toeteren ten teken: ik kom er aan. En dat is op zichzelf nog wel als sympathiek te bestempelen. 'Maar dan moet je ook echt aan de kant......'. Anders maken ze gehakt van je.

Het schijnt de komende 250 kilometer zo te blijven. Halleluja!!!!

Na 70 kilometertjes vertellen de benen dat het genoeg geweest is. In het plaatsje Calamarca zijn geen onderdakvoorzieningen. Op het Plaza zou wat zijn maar het is Fiesta (dik feest) en alle kamertjes schijnen verhuurd te zijn.

Het kost me erg veel moeite tot dusver in Bolivia om een slaapplek te veroveren. En vandaag vormt hierop geen uitzondering. Uiteindelijk zet ik mijn tent maar op. Het is een niet al te beste plek, maar ik doe het er mee.

In restaurants heeft het plaatsje ook niet voorzien. Ik koop 6 Mac Donaldsachtige kleffe broodjes. Een blikje sardientjes. En twee liter sinaasappelsap. Ik smeer de sinaasappelsap op de broodjes en neem een paar flinke slokken van de sardientjes.

Daar zal mijn maag het deze avond en nacht mee moeten doen.

Adios

DEATHROAD

Sommige mensen zijn er gek op.

Er zijn zelfs televisieprogramma's die het als thema hebben: de grootste; delangste; de breedste; de kortste; de meest eindeloze; de vrolijkste; de gemeenste; de lelijkste; de mooiste; de diepste; de meest giftige enu weet er vast ook nog wel een paar ........

In Boivia, niet ver van La Paz, ligt the World's most dangerous road. Het is een bergweg van La Paz naar het dorpje Coroico. La Paz ligt dan op ruim 4200 meter hoogte. En Coroico ligt 3600 meter lager. De weg is van oudsher een Incaroute. Maar werd later door locals gebruikt om van of naar La Paz te geraken.

The Death Road dus. En de weg doet (deed) zijn naam eer aan.

In 1983 vond het meest ernstige ongeluk in de Boliviaanse geschiedenis plaats. Een truck geladen met 100 personen maakte een stuurfout. Raakte in het ravijn. Alle personen kwamen hierbij om het leven. Tot 2007 kwamen er jaarlijks ruim tweehonderd mensen op deze weg om het leven. Bussen, trucks, personenauto's maar ook fietsers. Ergens rond het jaar 2000 moet het de Boliviaanse regering te gortig zijn geworden. Al die doden. Men gaf opdracht om een nieuwe, meer veilige bergweg, aan te leggen. In 2007 werd deze geopend. En daarmee is het aantal verkeersdoden op deze gevaarlijke weg tot een minimum gereduceerd.

Een minimum! Want er vallen nog steeds doden. Alleen betreffen dat nu (bijna) geen locals meer. Maar toeristen.

De (oude) weg is namelijk een attractie geworden.

Toeristen die met een mountainbike (en met soms/vaak niet al te veel fietservaring) zich naar beneden laten storten. 64 kilometer lang, 3600 meter omlaag. Je hoeft geen trap te doen. Je hoeft en moet trouwens nog een paar dingetjes niet te doen. Bv. geen stuurfout maken op deze 3,5 meter brede weg. Of en remfoutje. Want je ligt voor je het weet in het 300 tot 600 meter diepe ravijn. En de afdaling dan ff fijn navertellen zit er dan niet meer in. Ja. In het hiernaamaals misschien. Heb je wel wat te vertellen.....

Maar zonder dollen. Het gaat soms echt heel erg verkeerd.

Zoals een Israëlisch meisje dat op 8 april 2004 met alle goede bedoelingen naar beneden suisde. Ze schrok van een tegenligger (de weg wordt nl nog steeds door gebruikt). Remde verkeerd. En ze kwam onfortuinlijk genoeg in het ravijn terecht. Een kruisje ter nagedachtenis van haar staat op de plek waar het zo vreselijk mis ging. Sterker. Elke kilometer is voorzien van een (1) of meerdere kruisjes of gedenktekens voor mensen met wie het minder goed afliep.........

Lieve lezer. Ik ben er even heel stil en goed voor gaan zitten. Alvorens ik besloot om deze Death Road te 'gaan doen'. Ik ben voorwaar mijn leventje nog niet zat. Zeker niet. En daarbij: ik wil heel graag nog 's concert van ons eigenste Fransje Bauer meemaken. Of Jan Smit. Dat is me om het even. Ik zou best nog 's willen tongzoenen met Caroline Tensen. En. Het lijkt me ook helemaal te gek om 's een cursus rietmandenvlechten te doen. Of klompen kleien. Kortom: levensdoelen te over dacht ik zo. En ik neem ze al met al toch wel serieus: al die afschrikwekkende verhalen en foute voorbeelden.

Uiteindelijk knoop ik de hak door. Ik doe 't. Maar alleen op de dag des Heeren. Hopelijk rust er dan iets van een zegen op.

Ik regel ik een busje dat me op zondagochtend naar boven zal brengen. Boven is op ruim 4200 meter.

Ik ben er al om 8.00 uur. Het is koud. Erugh koud! Vochtig. Het mist. Het regent wat. Ik trek alle laagjes die ik beschikbaar heb aan. Handschoenen ook. En naar beneden maar met die meuk. De eerste 11 kilometer gaan over een glad wegdek. Het is de aanloop naar de Death Road. Het daalt hard. Het slingert. Het is berekoud. Halverwege moet ik een entreekaartje kopen. Want de weg ligt in een Nationaal Park. Het is er wonderschoon.

Op kilometerpunt 12 begint het feest dan echt: the Death Road.

Het gladde wegdek is verleden tijd. Vanaf nu alleen nog maar gravel en rotsblokken. Ik laat me langzaam naar beneden zakken. Rem bij. Stuur zorgvuldig. Ik heb al snel in de gaten dat mijn fiets voor dit werk totaal ongeschikt is. Hij stuitert alle kanten op. Maar gelukkig nog niet het ravijn in. Ik moet links aanhouden (is mij verteld). En dat is de ravijn kant. En kunnen nl tegenliggers komen en die houden de bergwandkant aan.

Jeetje. Word ik hier ECHT gelukkig van? Zijn dit niet van die momenten waar je 's nachts wakker van schrikt en dan gelukkig tot het besef komt dat je in je warme bedje ligt?

Ik neem geregeld rustpauzes. Om bij te komen (kramp in de remhanden). Maar ook om rond te kijken. 'Wat is het hier waanzinnig mooi'! Op deze hoogten heerst een heerlijk subtropisch zweetklimaatje. De Bougainvilles bloeien hier. De Cocaplantages staan hier in overvloed te kauwen. Zie ik bananenbomen? Wauw!

Na tweeënhalf uur (netto) dalen ben ik beneden. Ik heb het overleefd. En er is meer goed nieuws. Ik ben nl niet de enige.

Touroperators spelen nl handig in op de uitdagende vraag. Circa honderd toeristen dalen dagelijks the Death Road af. Niet altijd met het gewenste resultaat. Een tiental (op jaarbasis) overleefd de tocht niet. Lekker afdalinkie dus. Er worden gek genoeg door de Boliviaanse regering nog steeds geen eisen gesteld aan de touroperators op het gebied van fietsen, begeleiding, transport etc....

Fijn dat ik levend beneden ben. Maar hoe weer boven te geraken? Ik vraag een touroperator of ik mijn fiets bovenop zijn bus mag zetten. Dat mag. Maar de groep gaat naar een hotel. Douchen. Eten. Zwemmen. En aanvaard dan pas de terugtocht die 3,5 uur (!!!) gaat duren. Ik ga akkoord. Betaal wat. En sluit me aan bij het vrolijke gezelschap.

Rond 19.30 uur komen we completly alive en wel in La Paz aan.

I survived the Death Road.

(ik had stoere filmplannen. ik zou delen van de afdaling filmen. Ik heb een constructie op mijn stuur, en had de camera hierop geïnstalleerd. Maar het vochtige klimaat gooide roet in het eten (lees: vocht in mijn lens). de foto's die je ziet zijn de enige foto's die ik heb kunnen maken.....)

Adios.