Waterklomp
Lieve lezer.
Parijs bezoeken zonder de Eiffeltoren te hebben gezien? Dan tel je eigenlijk niet mee. Londen zonder Big Ben gehoord te hebben? Dan ben je er volgens sommigen ook niet echt geweest.
Ik voeg daar graag iets aan toe, lieve lezer: als je in Ierland geen regen hebt gehad, dan ben je er simpelweg niet geweest.
Of zoals een Ier vanochtend tegen me zei, met dat onverstoorbare Ierse gevoel voor humor: “You not come to Ireland for the weather.”
En toch gebeurde het.
Gisteren beleefde ik mijn eerste volledig droge fietsdag.
Geen zon overigens. Dat zou ook weer te gek worden. Je moet ten slotte ook niet overdrijven (Overdrijven doe je met een boot....maar dit geheel terzijde lieve lezer.....). Maar wel een zwaarbewolkte hemel waar eindelijk eens géén water uit viel. Misschien hadden de natte weergoden een vrije dag genomen. Een ATV'tje wellicht. Misschien was het bij hen ook Pinksteren. Of misschien waren ze me gewoon even vergeten. Hoe dan ook: droog bleef het.


De eerste 26 kilometer voerden door een verlaten landschap van veen, stenen en smalle wegen. Prachtig in al zijn ruigheid. Het soort landschap waar je vanzelf stiller van wordt. Minder aangenaam was de harde zijwind die me voortdurend terugduwde. Het tempo lag laag, maar ach — haast had ik inmiddels toch niet meer.

Rond het middaguur arriveerde ik in het plaatsje Oughterard. Daar heerste gezelligte. Pinksterdrukte. Mensen op terrasjes, wandelaars, gezinnen, motorrijders, fietsers. Ik vond een beschut bankje in een park, smeerde mijn boterhammen en at ze rustig op. Heel rustig zelfs. Want ongemerkt was ik begonnen aan mijn laatste volle fietsdag van deze reis.
En dat besef kwam toch even binnen.

Ierland had me opnieuw verrast. Ik was vergeten hoe mooi het hier eigenlijk is. Niet de aangeharkte schoonheid van keurige vakantiebrochures, maar het echte werk: ruige heuvels, eindeloze wolkenluchten, kleine wegen zonder haast en overal die zee van groen. En vooral: hoe heerlijk je hier kunt fietsen.

Wat me misschien nog wel het meest verraste, was dat ik mijn humeur niet door het weer heb laten bepalen. Daar was soms alle aanleiding toe geweest. Regen van voren, regen van opzij, regen die zelfs onder je regenpak nog een manier vindt om binnen te dringen. Maar geen moment heb ik gedacht: ik stop ermee. Blijkbaar kan een mens meer verdragen wanneer hij onderweg is.

Na mijn pauze moest ik nog 36 kilometer. Ik reed door kleine dorpjes, bedwong hier en daar nog wat venijnige klimmetjes en voelde langzaam de vermoeidheid in mijn benen kruipen. Tegen een uur of drie kneep ik resoluut in de remmen. Klaar ermee. Genoeg gefietst voor vandaag
En laat dat nou precies voor de receptie van de camping in Salthill bij Galway zijn geweest.
Alleen jammer dat de receptie gesloten was wegens pauze. Ierland blijft een land dat zich niet gek laat maken.

Dus wachtte ik een uurtje en zette daarna mijn tent op.
Wat me tijdens deze reis trouwens opnieuw opviel, zijn de mensen hier. Ieren hebben een bijzondere gave om verhalen te vertellen. Of je nu even stopt bij een winkel, een camping of een kruispunt — voor je het weet sta je tien minuten te praten. Over het weer natuurlijk. Over familie. Over sport. Over waar je vandaan komt en waar je naartoe gaat. Niet vluchtig of gehaast, maar oprecht geïnteresseerd. Alsof tijd hier nog niet helemaal is dichtgeregeld.

Vanochtend liep ik vroeg nog een stukje hard. Jawel lieve lezer, het hardlopen begint weer voorzichtig terug te komen in mijn leven. Om straks niet hopeloos achterop te raken heb ik de hardloopschoenen de hele reis meegesleept. En dus draafde ik in alle vroegte langs de baai van Galway, terwijl de stad langzaam wakker werd.
Daarna brak ik de tent op en fietste rustig naar het station van Galway. Mijn fiets werd in een wagon gehesen en drie uur later rolde de trein Dublin binnen.

En toen gebeurde er iets wonderlijks.
Ik fietste door het centrum van Dublin bij 28,6 graden. Zon. Blauwe lucht. Mensen in korte broeken op terrassen. En toen brak mijn klomp toch wel een beetje, lieve lezer. Zeg maar gerust: mijn waterklomp.
Twaalf dagen lang had ik regen, wind en natte sokken gehad. En precies op de dag dat ik naar huis ga, besluit Ierland zich van zijn zonnigste kant te laten zien.
Maar misschien is dat ook wel typisch Ierland.
Een land dat je eerst laat afzien, natregenen en tegen de wind in laat trappen — om je vervolgens op het allerlaatste moment nog één keer om te laten kijken en te denken:
Ach… misschien moet ik toch nog eens terugkomen.
&nne……..dank U wel voor het meelezen lieve lezer.
GodsHuis
Twee Zwitserse fietsers hadden bezworen dat er in het gehucht Ros an Mhíl een plek was om te kamperen. Maar na 70 kilometer zwaar trappen daar eenmaal aangekomen bleek daar niets van te kloppen.
Het was koud, het regende onafgebroken en van een camping of kampeerplek was nergens iets te bekennen. Eerst dacht ik nog dat ik niet goed gekeken had. Maar na navraag bij een man of vijf bleek het toch echt waar: in velden noch wegen was een camping te vinden.

Bij een benzinestation kocht ik een broodje om de situatie eens rustig te overdenken. De regen was inmiddels serieus geworden en de kou kroop langzaam mijn bezwete lichaam binnen. Geen camping, geen droog plekje, Tijd voor iets van een plan.
Ik ging terug het tankstation in en kocht proviand om een nacht in de buitenlucht door te komen: een grote fles water, cola, fruit, brood en een zakje nootjes. Mijn rantsoen voor een nacht in de wilde wijde camping-loze wereld.

In de striemende regen fietste ik verder. Kwam op een kruising. Morgen moet ik hier eigenlijk linksaf, maar wat ik daar zag was een troosteloze vlakte van steen, veen, water en wind. Geen enkele mogelijkheid om een tent neer te zetten zonder weg te waaien of weg te zakken. Rechtsaf leek de wereld iets vriendelijker, iets bewoonder. Dus ging ik die kant op.

Na anderhalve kilometer had ik nog steeds niets gezien behalve verlaten bedrijfsterreinen. Vrijdagmiddag — alles dicht, hekken op slot, nergens een mens te bekennen. Maar toen zag ik, een flink stuk van de weg af, een kerk staan.
Aha.
Huizen van God hebben mij op reizen vaker uit benarde situaties gered. In Pakistan werd ik ooit door een groep jongeren bekogeld met grote stenen. Het werd echt gevaarlijk. Ik vluchtte met fiets en al een moskee binnen en werd daar liefdevol opgevangen. In Amritsar, India, werd ik doodziek na iets verkeerds gegeten te hebben. De Sikhs legden me op een bed en verzorgden me anderhalve dag en nacht alsof ik hunnie eigenste familie was.

Ik fietste ik naar de kerk. De deur stond open. Binnen was een schoonmaker bezig de kandelaren te poetsen. Ik legde mijn situatie uit en vrijwel meteen zei hij: “Zoek maar een plekje, ik licht de caretaker (koster/beheerder)wel in.”
Ik zette mijn tent op achter de kerk.
Een uur later kwam de beheerder langs. Een allervriendelijkste man. Hij deed de toiletten voor me open, ik mocht mijn telefoon opladen en hij vroeg meerdere keren of ik verder nog iets nodig had. Diezelfde avond kwam hij nog eens terug om te kijken of alles goed ging. Vanmorgen opnieuw.
Wat zijn er toch ongelooflijk lieve mensen op deze wereld.
Soms denk ik: waarom worden juist dit soort mensen nooit in de rol van machthebber geplaatst? Waarom zijn het altijd van die klojo's?Waarom hebben mensen die zorgen, helpen en omzien naar anderen zo zelden de touwtjes in handen? Ik weet het, lieve lezer, het is natuurlijk een gedachte van een kind. Uit de mond van een 61 jarige man klinkt het wellicht wat ongemakkelijk en naïef. Maar waar gaat het toch mis?
Gisteren had ik een rustdag gepland. Dat moest ook wel, want na acht dagen onafgebroken fietsen begonnen de benen voorzichtig te protesteren. Maar die rustdag viel letterlijk in het water. Het regende de hele dag onafgebroken.



De rit vandaag, van Clifden naar Ros an Mhíl — zo’n zeventig kilometer — voerde door een landschap van bijna totale niets, nothing, zero. Veen, steen, meren, heuvels, verlatenheid. Eindeloze vlaktes waar alleen schapen leken te wonen.


Zelden heb ik door zo’n leeg en desolaat landschap gefietst.
En zelden vond ik leegte zó mooi.
Connemara
Na het wakker worden sta ik eerst op.
Daarna was ik m’n kop en neem ik een eenvoudig doch voedzaam ontbijtje in een stil en geheel verlaten jeugdherberg. Pak m'n tassen in, laad ze op de fiets. En stap op. Allemaal wel in precies die volgorde lieve lezer. Als je qua volgorde gaat lopen schipperen, als je een loopje neemt met de eerder beschreven structuur, Als je denkt, ik ga het helemaal anders aanpakken vandaag. Nou, dan wordt een bende. Een bloedbad.
Afijn.
De slingers kunnen uit. De balonwangen bol geblazen. Want mijn gebeden zijn verhoord (en al jullie lieve berichtjes hebben vast ook meegeholpen). De weergoden hebben vergaderd en weliswaar niet helemaal unaniem maar toch hebben ze bij meerderheid besloten om de waterkranen vanochtend dicht te houden. Het is droog! Ik weet niet wat me overkomt.

Ik ken geen eiland dat zo rijk is aan verschillende soorten landschappen als Ierland. Je heb er Ring of Kerry, Dingle Peninsula, The Burren, Wicklow Mountains en nog twee handenvol meer. Als je er met een auto door Ierland rijd kun je zo door vier/vijf verschillende landschappen toeren op 1 dag. Op de fiets gaat dat natuurlijk minder snel. En zie je meer van minder.
Vandaag fiets ik door de Connemara.

Fietsen door Connemara voelt voor mij alsof ik door het echte, ruige Ierland trek. Het gebied in het westen van Ierland staat bekend om zijn uitgestrekte veengebieden, grillige kustlijnen, stille meren, bijzondere plantengroei en gesteenten. Maar bovenal: het voelt ongerept aan.



Onderweg fiets ik door kleine dorpjes, ontwijk schapen op smalle wegen en passeer ik kleurrijke pubs die de streek zoveel sfeer geven.
Door het wisselende licht veranderen de kleuren van de heuvels en velden voortdurend. Nou ja, ik kan er nog uren over schrijven, maar bekijk de foto’s maar ‘s:







Aan het einde van de fietsdag zet ik de landing in en knijp in de remmen bij de receptie van een campsite.
Net als ik de tent in de vorm heb geknutseld zoals het voor een tent bedoelt is en net mijn spulletjes in de tent heb weten te proppen begint het met.......
U mag drie keer raden.....
Maar mocht uw antwoord beginnen met de letter Reindigenmet de letter N.
Dan zit u behoorlijk warm.
Jeugdherbergtrauma
Ik zal een jaar of zestien zijn geweest en fietstte toendertijd al heel wat af.
Ik was lid van de Nederlandse Jeugdherberg Centrale – zo heette dat toen nog. Voor een paar gulden mocht je ergens - in een jeugdherberg - op een slaapzaal overnachten. Lekker goedkoop. Paste uitstekend bij die levensfase.
Vandaag staat volgens de boekjes de mooiste rit van deze reis op het programma. Ik ga de Sheeffry Pass fietsen. Pittig heuveltje, maar daar krijg je ook wat voor terug: grootse uitzichten, ruige bergen, dat werk.
Precies om 8.00 uur stap ik op mijn fiets.
En precies om 8.01 uur stap ik weer af.
Regenpak aan.

En ik zal u iets verklappen, lieve lezer: dat regenpak is die dag niet meer uit geweest. Het kwam met complete emmers tegelijk uit de hemel vallen. Allemaal precies op mijn kale bolletje. Want mikken kunnen ze, die Weergoden.....
En het gekke is: terwijl ik dit opschrijf, moet ik denken aan Pakistan.
Ik fietste in 2012 ruim een maand door Pakistan en trok daar een tijdje op met een Nieuw-Zeelandse vrouw en haar toenmalige vriend. Tijdens het fietsen biechtten we elkaar op dat we al acht dagen niet gedoucht hadden. Niet uit overtuiging of spirituele verdieping – de mogelijkheid was er gewoon niet.

In Pakistan is aan van alles tekort. De stroom valt geregeld uit en de watervoorziening is nogal… avontuurlijk onberekenbaar georganiseerd. Dan fiets je dus de hele dag in veertig graden en ben je al rijdend stof aan 't happen en kun je je ’s avonds dus niet wassen. Acht dagen achter elkaar.
En het wonderlijke is: de eerste drie dagen heb je daar echt last van. Je voelt je plakkerig. Vies. Maar ergens rond dag vier komt er een omslagpunt. Dan maakt het eigenlijk niet meer uit. Dat klinkt misschien smerig of ongeloofwaardig, maar ik heb het later op mijn fietsreizen wel 's vaker ervaren.
Met regen werkt het hetzelfde.
Je bereikt een punt waarop je denkt: vooruit dan maar. Het regent toch wel. Die regen trekt zich niets aan van mijn humeur, en inmiddels doe ik dat ook niet meer. Regenpak aan en fietsen. Schuilen doe ik niet eens meer. Gewoon doortrappen.



Na een uur kletsnat doortrappen sta ik voor de Sheeffry Pass. De eerste meters omhoog voelen zwaar, maar gek genoeg blijkt de klim goed te doen. Af en toe stop ik voor een foto. Er zitten wat venijnige stijgingspercentages tussen, maar het gaat prima. De uitzichten zijn prachtig en ook - wanneer ik over de top ben - is het traject tussen de bergen door geweldig mooi.

Totaal verregend (of: als een verzopen kat......U mag kiezen, ik reken beide keuzes goed.....) kom ik aan in het dorpje Leenaun. Het dorp heeft een craftshop, een kruidenier die - enige tijd geleden - de spreekwoordelijke pijp aan Maarten heeft gegeven, en twee pubs.
Bij één van die pubs val ik naar binnen. Ontdoe mij van m'n regenkleding. Bestel soep. Later ook nog een stuk carrotcake. En dan breekt het moeilijkste moment van de dag aan.
Ik ben weer een beetje warm geworden. En dus moet ik opnieuw mijn natte fietskleren aantrekken. M'n natte fietshandschoenen weer om de vingers trekken. De natte fietshelm op. Brrr....... Buiten regent het nog steeds pijpenstelen. Dat is bepaald niet fijn.
Ik had me voorgenomen te kamperen, maar begin ernstig te twijfelen aan dit briljante plan.
Alternatief is hetLeenaun Hotel, maar de kamerprijzen die ze per nacht rekenen vind ik meer passen bij een volledig verzorgde midweek - inclusief gratis massage - ergens somewhere in het hoogseizoen.
Zes kilometer verderop zit een jeugdherberg.
Daar ga ik het proberen.
Ik fiets verder door de stromende regen. Na zes kilometer sla ik af en via een wat kronkelende, heuvelende weg kom ik bij de herberg aan.

Ik bel aan.
Er zit niemand achter de receptie.
Ik loop naar binnen.
Kijk wat rond. Geen gasten. Geen personeel. Op goed geluk open ik een deur van een slaapzaal.
Niemand.
Het doet me ineens denken aan mijn eerdere jeugdherbergervaring.
Plaats delict: Wolfheze.
Ik was zestien en maakte met enige regelmaat fietstochtjes door Nederland. En overnachtte in jeugdherbergen. In de jeugdherberg moest je klusjes doen. Ik deed de afwas. Twee oudere dames – toen in mijn ogen al met een vrij prehistorisch uiterlijk – droogden af.
Op een gegeven moment werd de afwasborstel - met veel bombarie - door een van de dames uit mijn handen gerukt, met de mededeling dat “de dames nog meer te doen hadden”. Het schoot blijkbaar voor geen meter op met mijn afwastechniek, terwijl ik echt mijn uiterste best stond te doen om de vaat netjes af te leveren.

Ik zeg 't niet graag, maar neem het ook niet terug: ik hoop dat die dames inmiddels dood zijn. En dat ze mogen branden in de HEL!
U merkt: een klein traumaatje.

Maar goed, in deze jeugdherberg zal ik daar geen last van hebben.
Ik ben de enige gast.
En voel me weer even zestien.
Bogman
Ik moet een jaar of vijftien geweest zijn toen ik bij hoveniersbedrijf en tuincentrum ‘de Vollehof’ in Wezep mijn eerste baan kreeg.
In den beginne moest ik onkruid wieden, schoffelen, chrysantenbedden aanleggen, coniferen scheren. Wat later mocht ik klanten helpen op het tuincentrum. Maar waar het mij om te doen was, was het aanleggen van tuinen.
De eerste tuinklus waar ik mee mocht – trots als ik was - was naar een verbouwde boerderij in Doornspijk. Er moest beschoeiing langs de waterkant komen, er moesten borders worden aangelegd en er moet een immense vijver in de tuin worden aangebracht. Die mocht ik uitgraven. Met een schep.
Afijn.

Ik breek mijn tentje op in het Ierse dorpje Keel. Daar heb ik afgelopen nacht op een winderige camping gestaan. De camping is gelegen aan de Atlantische Oceaan. Tjeetje, wat maakt die zee een herrie. Ik werd er meermaals wakker van, en had – slaapdronken dat ik was – aanvankelijk geen idee welk geluid mij wekte. Wilde bij de receptie een klacht indienen, stond op het punt om 112 te bellen en m’n beklag te doen. Dacht dat het de camperbuurman was en wilde ‘m net zijn vrouw een bosje Ulex cadeau doen…… Echter op een gegeven moment viel bij mij het slaapdronken-kwartje. Ik sta met mijn tentje nog geen 50 meter van de rotsen waar het zeeiige zilte zoute water tegen aan klotst.
En ook begrijp ik opeens waarom hier werkelijk iedere caravan en camper met spanbanden aan de grond vastgesjord staat. Overal hangen waarschuwingsborden voor extreme wind. Het meisje van de camping wees me gisteren al een enigszins beschut hoekje toe om mijn tent op te zetten. Toen vond ik dat nog wat overdreven. Maar na die stormwind van gisteren begrijp ik het ineens een stuk beter.

Het goede nieuws: we beginnen vanochtend droog. En Ierland wordt ondertussen alleen maar mooier. Ik vind het zo mooi hier dat ik een fijne lus over het eiland maak. Het is een behoorlijke omweg, maar ja lieve lezer, is het hele leven goed beschouwd geen omweg. En gelukkig maar anders zou we in 1 rechte lijn in volle vaart op de dood afkoersen. En dat kan toch ook niet de bedoeling zijn. Dat heeft onze lieve Heer toch ook zo niet bedoelt.




We moeten zo hier en daar wat obstakels en barrières slechten en ons van tijd tot tijd een fijne omweg toestaan. En als dat een keer een minder fijne omweg is, laten we er dan voor zorgen dat in elk geval een leerzame was. Tot zover de cursus: ‘krijg de vinke tyfus tering Gerrit, ik maak zelf wel uit hoe ik mijn leven leidt”.
Onderweg fiets ik langs enorme veengebieden. Turf dus. Eeuwenlang hebben de Ieren complete veengebieden afgegraven en opgestookt. Begrijpelijk ook wel, want veel anders hadden ze vroeger niet om hun huizen warm te krijgen.

Maar als je ziet hoeveel complete landschappen daarvoor naar de knoppen zijn geholpen, dan wordt het romantische verhaal toch wat minder romantisch. Hele ecosystemen verdwenen. Hele veengebieden zijn drooggelegd. Zeldzame planten en vogels weg.
Tegenwoordig doen ze poging die veengebieden weer te herstellen. Maar dat herstel gaat langzaam, erg langzaam. Ik begrijp: 1 millimeter aangroei per jaar.


Helaas wordt er nog steeds turf gewonnen. En waar dat vroeger met de hand gebeurde door een turfsteker (bogman op z'n Iers) gaat dat nu machinaal. In Ierland ook nog steeds, maar vooral nu in de Baltische staten. Hele gebieden worden er om zeep geholpen. Misschien toch nog ’s goed overdenken als we een zak potgrond bij de Welkoop halen voor onze afrikaantjes en viooltjes. Tot zover de cursus: “Krijg de tering met je belerende teksten, maar misschien zit er toch wel wat in”.
Nou wacht even: die turf doet me terug denken aan mijn allereerste buitenklus in die grote tuin in Doornspijk. Nadat de vijver gegraven was - en de vijverfolie aan elkaar gelijmd en pasklaar gelegd - ging het water erin. Als de vijver bijna vol was moesten de randen worden aangevuld met …….turfblokken.

Precies de maat die hier ook ligt. Er zaten er 9 bij elkaar, bij elkaar gehouden met twee ijzerdraden. En als de turfblokken werden aangebracht, dan werd het waterniveau verhoogd en zogen de turfblokken water op en werden ze zacht. En dan kon je er met je vinger een gat in prikken en er waterplanten – waaronder veenpluis in drukken. En laat dan nu de plant zijn die hier (gelukkig nog) volop op het veen groeit.
Het is meestal fijn als voorspellingen ook daadwerkelijk uitkomen. Maar deze keer heb ik daar toch wat twijfels over. Het zou namelijk vanochtend droog blijven, en dat klopt. Rond het middaguur zou het beginnen met regenen. En dat klopt ook.

Mijn regenpak heb ik inmiddels een jaar of twintig. En ik kan me werkelijk niet herinneren dat ik het ooit tijdens één en dezelfde fietsreis zó vaak heb moeten aantrekken. Sterker nog: ik vermoed dat ik het deze reis vaker aan heb gehad dan in de volledige twintig jaar dat ik dat pak bezit.

Tja… doorgaans fiets ik in landen waar regen eerder als een zeldzaam natuurverschijnsel wordt beschouwd. Dan neem ik dat hele pak geeneens mee. En thuis probeer ik fietsen in de regen sowieso angstvallig te vermijden.
Maar hier, lieve lezer, bewijst dat oude vod toch eindelijk zijn bestaansrecht.
Pffff……

Ook de Ieren zijn de - voor deze tijd van het jaar nogal ongebruikelijke - regen flink zat aan het worden. Ik wilde kamperen maar dat is niet te doen. Dus ik boek een kamer en de bazin des Huizes beschrijft het als een horrible day.
Ze heeft meelij met me (wat niet hoeft) en hangt al mijn natte kleding op een droogrek. Ze stookt de verwarming op mijn kamer op.
Hier zal ik vannacht de slaap wel kunnen vatten.
Kleumwind
15 mei 1989.
Ik moest het even opzoeken, lieve lezer. Maar op die dag stond lieve, zoete Gerritje helemaal vooraan op Pinkpop. Nat neusje tegen het podium gedrukt. Vol verwachting. Klaar voor R.E.M. Een bandje waar toen al stevig over gesproken werd. Nog zonder meezinghits, zonder wereldfaam, maar duidelijk bezig aan een muzikale opmars.
Na uren wachten was het zover. Ze sloten het festival af. Het was donker. De lampen schoten aan. Daar stonden ze. Michael Stipe in een hagelwit pak. Ze begonnen te spelen.
Wat een teleurstelling.
Wat viel dit tegen.
Wat een afgang.
(vond ik toen.....)
Na vijf nummers droop ik gedesillusioneerd af. Weg van het terrein. (Het concert staat trouwens deels op YouTube, speciaal voor de liefhebber: https://www.youtube.com/watch?v=yQ34kVqgUPc.)

Vanochtend verliet ik het onderkomen van Jennifer. Of Jennifer sympathiek is, was of juist totaal niet sympathiek laat zich moeilijk beoordelen. Dat ze een vrouw van weinig woorden is, daar bestaat geen enkele twijfel over.
“Hello.”
“Here is your room.”
“This is the shower.”
“Questions?”
“No?”
“Bye.”
Daar moest ik het mee doen. Daarna niet meer gezien. Ook niet vanochtend bij vertrek.
Ik vind het allang goed, lieve lezer.
Minder goed is dat het regenpak direct aan moet. Het komt met bakken uit de hemel. Ik heb vandaag het tamelijk briljante plan opgevat om naar Achill Island te fietsen. Zeventig kilometer. Vol de stormwind op de kop. Uitlopend op de Atlantische Oceaan.

Mocht u denken: die Gerrit fietst hier maar wat voor Volk en Vaderland door Ierland heen — dat klopt, dat is juist, dat heeft U goed gezien. Maar toch ook weer niet helemaal. Want na anderhalf uur regenfietsen bereik ik Newport. Daar pik ik de EuroVelo 1 op. Ook wel de Greenway genoemd.
Een Atlantische kustroute van ruim 11.000 kilometer. Beginnend in Noorwegen, via Engeland naar Ierland, Frankrijk, Spanje en eindigend in Portugal. Omdat ik een paar vrije dagen tekortkom om het hele stuk te fietsen, beperk ik me voorlopig tot Ierland.
Ik heb voor vertrek nauwelijks ontbeten en besluit rond een uur of elf ergens in Newport op goed geluk een hotel binnen te stappen. Het meisje achter de balie waarschuwt me dat de ontbijtsessie eigenlijk voorbij is. Maar als ik nog snel een tientje aftik, mag ik de laatste resten plunderen.
Ik trof daar aan:
een laatste rotte banaan,
een half afgekloven ei,
een plak ham
en een zweterig laatste plakje kaas.
Mijn vader zou gezegd hebben:
“De Koningin kan niet lekkerder gegeten hebben.”
En zo is ’t Pa!

Ik heb geluk, lieve lezer. De Ulex europaeus staat volop in bloei. Knalgeel. En hij moet het hier uitstekend naar z’n zin hebben, want hij groeit overal. In normaal Nederlands heet het ding: Gaspeldoorn.
Mocht u nu denken: goh, die wil ik ook in mijn tuin — dan raad ik u dat nadrukkelijk af. Aan dat ding zitten duizenden gemeen scherpe stekels. Ik zou ‘m persoonlijk alleen toepassen rondom gevangenissen en bejaardentehuizen. Of in de tuin van een vervelende buurman.
Of een jankerige ex die nét iets te lang en te enthousiast u alimentatie aftroggelt.
Sterker nog: ik zou bij zulke mensen aanbellen met een breed glimlachend hoofd, om vervolgens een feestelijk niet doorzichtig verpakkingspapier (dus geen cellofaan gebruiken....is een tip, doe er U voordeel mee.....) verpakt bosje Ulex in hun handen te drukken.
En dan bedoel ik: goed stevig aandrukken.
Kijk. Dát zijn cadeaus die mensen onthouden. Die beklijven. Mooie slogan: "Ulex, voor al uw wraakacties"! En het woord EX zit er al in.

Onderweg zie ik schapen. Heel veel schapen. Ik raak aan de praat met een schapenboer. Hij vertelt dat ze hier een ras houden dat puur voor het vlees wordt gefokt. BBQ-schapen dus. Vrijwel alles gaat de export in. Verder zijn ze goedkoop in onderhoud, grazen ze voornamelijk in de heuvels en hebben ze nauwelijks verzorging nodig.
Ronduit jammer vind ik dat de bordercollies hier grotendeels zijn vervangen door quads. Tegenwoordig worden de schapen daarmee opgedreven.

Ik stap nog even droog op de fiets, maar na vijfhonderd meter kan het regenpak alweer aan. De uitzichten worden ondertussen steeds mooier.

Ah… daar is mijn oude vriend weer: de Gunnera. De grootste bladplant die we in Europa kennen. En momenteel staat-ie hier prachtig in bloei.

Aan het einde van de middag knoert en ploert ik verder.
De natte weg waarop ik al uren fiets lijkt rechtstreeks naar het einde van de wereld te leiden. Dat doet ie niet, maar hij eindigt wel in de Atlantische Oceaan. Maar ja, met wat verbeeldingskracht lijkt het hier met al die regen en stormwind dat ik naar het einde van de Wereld fiets. En aan het einde zo vanaf val.
En ineens zit dat ene nummer van R.E.M. in mijn hoofd. Plopt zo op.
It’s the End of the World as We Know It.
Ze speelden het daar al, in 1989.
Om er meteen achteraan te gooien:
And I feel fine.
Met dat nummer in mijn hoofd — én met de eeuwige spijt van mijn grootste muzikale blunder ooit, namelijk halverwege dat eerste optreden weglopen — trap ik verder.
Na zestig kilometer merk ik dat het beste er wel af is. Maar ik blijf draaien. Op karakter. Dat wel.
Nog 15 kilometer....
Het regent.
De storm beukt vol op mijn kop.
Ik kom maar langzaam vooruit.
Mijn handen doen pijn van de kou.
Ze verkleumen.
Mijn rechterknie begint te haperen.
Ik probeer alle externe ellende uit te schakelen. En het mooie te blijven zien.
Gewoon blijven trappen.
It’s the End of the World as We Know It.
And I feel fine.
(Maar geheel naar waarheid kwam dat “fine”-gevoel pas toen ik eenmaal onder een lauwkouwe campingdouche stond.)

Soepkip
Lieve lezer, We gaan een jaar of zestig terug, naar de kukeleku-tijd.
Mijn vader hield kippen. Grote bruine legkippen waren het. Die kocht hij ergens in maart. Een deel van het jaar voldeden de kippen aan de verwachting. Echter aan het einde van het jaar nam de eierproductie af en ging de kop eraf.
Mijn moeder vulde dan een grote ijzeren ketel met heet water. Daar verdwenen de gedode kippen in. Ze werden ontdaan van veren en ingewanden, waarna ze in een enorme pan met water op het vuur gingen. Een hele dag lagen die kippen tegen de kook aan gaar te worden.

Lieve lezer, dit zijn de momenten waarop ik mezelf afvraag waarom ik mezelf niet ergens terugvind in een waterig zwemparadijs, met mijn onderbenen bungelend in het water. Met mijn rug vastgeplakt aan een verwarmde knuffelmuur. In mijn rechterhand een gezellig zoete piña colada en in mijn linkerhand een grote, bodemloze emmer met knisper-krasper-borrelnootjes.

In de licht koelende schaduw van een wuivende palmboom. Met iets verderop een hangmat die loom heen en weer wiegt en me ongevraagd uitnodigt voor wat bungelwerk.
Lieve lezer, dat zou fijn zijn geweest.
Zou.

Want ergens onderweg — in die oh zo essentiële besluitvormingsfase van het fietsreisleven — heb ik toch een andere afslag genomen. Ik ben in Ierland beland. Een zompig nat Ierland, met een koude, stormachtige zeewind tegen dat ervoor zorg draagt dat ik een wit uitgeslagen, koude middelvinger heb.
Om nu te zeggen dat ik het meteen naar mijn zin heb: dat gaat wat ver. Maar Ierland stond al een tijdje op een soort wensenlijstje. Het moest er eens van komen. Dus ik moet niet zeuren.
En mooi is het hier wel.

Ik stuur van het ene schilderachtige weggetje naar het andere licht heuvelende weggetje. Verkeer is er nauwelijks. En het verkeer dat er wél is, is mij opvallend gunstig gezind.
Het weer daarentegen niet.
Zeker, er zijn mooie zonnige momenten. Maar de helft van de fietsdag regent het en moet het regenpak aan. En dan weer uit. En dan weer aan. Ik word er bijkans tureluurs van.

Als de kippen gaar waren, haalde mijn moeder ze uit de pan en schraapte ze het vlees van de botten. Dat vlees werd gebruikt voor de kippensoep. De botten gingen naar de hond.
Als ik na acht uur fietsen in de regen - in het dorpje Castlebar- van mijn karretje rol, voelt het net of ik me de hele dag in een zachtjes kokende pan warm water fietsend heb voortbewogen. Ik voel me precies een soepkip.
En nu ben ik gaar.
Je hoeft alleen het vlees nog van mijn botten te halen.
Montessori-hufters
In 1989 was ik hier voor het eerst.
U moet weten, lieve lezer: ik was groot fan van de Ierse band U2 en wilde alle plekken bezoeken waar de band zich mogelijk ophield. Dockers Pub. Windmill Lane Studios — de studio waar ze oefenden en albums opnamen. En plekken bezoeken waar bepaalde nummers naar verwezen.
Daarnaast werden tijdens een wekenlange rondrit ook nog wat onbeduidende zaken bezocht, zoals adembenemend mooie landschappen, ruige kusten en schilderachtige dorpjes. Het werd een magische reis.
Een jaar of vijf later ging ik nog eens terug. Alleen: het magische gevoel van die eerste reis ontbrak volledig.
Sindsdien huldig ik de overtuiging: keer nooit terug naar een plek waar je eerder bent geweest. Althans, niet in de hoop dat fijne gevoel van toen opnieuw op te snuiven. De plek is veranderd. Jij ook. Grote kans dat je iets zoekt wat daar simpelweg niet meer te vinden is.

En toch.
Nu, ruim twintig jaar later, keer ik terug. Niet zozeer om dat magische gevoel terug te vinden.
Maar om te fietsen.
Startpunt: Galway, Ierland.


Aan het begin van de eerste fietsdag wurm ik me door druk verkeer en trotseer ik verkeerslichten alsof ik auditie doe voor een computerspel uit 1987. Maar langzaam veranderen de drukke wegen in smalle weggetjes, met aan weerszijden stenen muurtjes en verwilderde heggen.

De verkeerslichten veranderen in koeien die mij langdurig, licht verwijtend maar vooral met een waarschuwende blik aanstaren.
Aan het eind van de fietsdag vraag ik in het plaatsje Bunatubber een man die zijn gazon maait of ik mijn tent in zijn weiland mag opzetten.
Dat mag.
Maar hij heeft een beter idee.
“Why don’t you put it on our lawn?”
Nou, graag zelfs.

Zijn vrouw blijkt schadeafhandelingen te doen voor verzekeringsmaatschappij UNIVÉ. Dus mocht u, lieve lezer, ooit een badkamerlekkage hebben — wat ik u uiteraard niet gun, maar wat zomaar kan gebeuren — dan bestaat de kans dat uw schadeformulier wordt behandeld door een Ierse vrouw, woonachtig in een slaperig gehucht, die tussendoor vooral haar handen vol heeft aan twee Montessori-hufters van een jaar of vijf, zes oud (de leeftijd is een schatting, maar verder niet van belang want ouder zullen ze niet worden....lees gerust verder.....)
Ik zet mijn tent op. Blaas mijn matje op.
Pleeg tussendoor nog even snel twee kindermoorden.
En probeer daarna de slaap te vatten.