De Lustige Reiziger

Rond

Joan wijst me erop: ‘kijk, ze zijn de kerstverlichting aan het verwijderen en aan het opruimen’.

Op 23 december vorig jaar kwamen we in een diep donkere Rwandese nacht hier aan – met flinke vertraging. Een deel van onze koffers was zoek, onze ophaaltaxi nergens te bekennen, we waren moe en uit ons doen. En toch was daar iets dat bleef hangen: de kerstverlichting op het tamelijk overzichtelijke houtje touwtje vliegveld van Kigali. Een onverwacht sprankje licht, precies op dat moment.

En nu zijn we hier weer. Terug van een reis door Rwanda.

Het werd een reis die anders verliep dan we vooraf hadden bedacht. We wilden bijna een maand met onze fietskarretjes Rwanda onveilig maken. Maar de heuvels bleken ons te machtig – en vooral te talrijk. Al na één fietsdag was duidelijk dat we onze plannen moesten omgooien. We huurden een auto, pasten onze route aan en gingen opnieuw op pad.

We mengden ons in de krioel-mierende hoofdstad Kigali, een stad waar auto’s, brommers en fietsen hun eigen plan trekken. Als er al sprake is van een plan. We trokken vandaar naar het zuiden. We bezochten het indrukwekkende Genocide Memorial, een plek die stil maakt en die je niet zomaar achter je laat.

Het leukst waren misschien wel de uitstapjes naar lokale marktjes. De gesprekjes met mensen. Zo kleurrijk, zo levendig, zo anders. En dat vonden de Rwandezen op hun beurt ook van ons. We waren vaak de enige blanken – muzungu – en baarden veel opzien. Foto’s maken was hier niet vanzelfsprekend. In weinig landen hebben we zoveel terughoudendheid ervaren tegenover het fotograferen van mensen. Die wens hebben we uiteraard gerespecteerd.

Rwanda is een veilig land. Dat durven we zonder aarzeling te zeggen. Een Rwandees vertelde ons dat een crimineel het hier moeilijk heeft. Overal – en letterlijk overal – zie je politie. In dorpen, langs wegen, op afgelegen plekken, in nationale parken. We zijn regelmatig staande gehouden, maar na een kort gesprek mochten we steeds weer door. Iedereen wordt gecontroleerd. Het hoort bij dit land.

Thee en koffie zijn de belangrijkste exportproducten van Rwanda. Vooral thee. We reden langs talloze theeplantages, zagen hoe er geplukt werd, hoe de hellingen strak in het groen lagen. Eindeloze patronen, nevel erboven, mensen aan het werk. Beelden die zich vastzetten.

Zo fijn als ik het vind dat je op een vliegveld zo’n groot bord hebt met alle vertrekkende vluchten, met exotische bestemmingen. Nog fijner als er steden op staan waarvan ik het bestaan niet eens kende. Op het vliegveld van Kigali hangt ook zo’n bord. Het maakt me gretig en nieuwsgierig. Hetzelfde heb ik bij verkeersborden die aangeven dat je niet ver van de grens bent. Alsof er steeds weer nieuwe werelden lonken, nu net buiten bereik, maar wellicht wel landen waar een volgend fietsreisje naar toe zou kunnen gaan........

Lieve lezer. U kent mij inmiddels een ietsje pietsje. Mijn ogen zijn altijd op zoek naar .....VOGELVERSCHRIKKERS. Het moet mij van het hart dat U me de afgelopen tijd wel ietsje pietsje hebt teleurgesteld. Want na mijn oproep na de Azië eis mocht ik zegge en schrijven 1 vogelverschrikker foto in mijn mailbox ontvangen. En op dit punt had ik eerlijk gezegd wel iets meer van U verwacht.....

Maar goed, teleurstellingen horen bij het leven. Ik ben dat van U gewend.

In Rwanda heb ik er 14 nieuwe aanwinsten bij. Hieronder wat mij betreft de fraaiste. En op de foto hieronder ziet U mij in actie of beter gezegd: ziet U mij mijn leven wagen in een rijstveld en wordt ik helemaal niet op de vingers gekeken. ..... Die mensen hadden geen idee......die denken nu nog.........


We kunnen ons niet herinneren dat we ooit in een land gereisd hebben (buiten Nederland) waar zoveel gefietst wordt als in Rwanda. Alhoewel je dat fietsen met een korreltje suikerzoet moet nemen. Want er wordt dikwijls meer geduwd dan gefietst. Dat kan ook niet anders want de fietsen zijn altijd veel te zwaar beladen. Zeker voor de steile heuvels in dit land.

Soms begint een reis op het ene vliegveld en eindigt hij op een heel ander. Maar eerlijk gezegd vind ik het fijn om terug te keren naar de plek waar de reis begon. Het heeft iets vertrouwds, iets afgeronds. Hoe graag ik ook reis, het is ook prettig om een reis te beëindigen en weer in iets bekends terecht te komen. Dat kan thuis zijn. Maar een vliegveld waar je al eens bent geweest, kan dat ook zijn.

En terwijl hier op het vliegveld van Kigali de laatste kerstlampjes worden losgekoppeld, en wij morgen proberen onze fietsen aan boord van een vliegmasjien te proppen, die ons hopelijk geruisloos naar huis zal zweven willen wij U HEEL ERG BEDANKEN VOOR HET MEELEZEN. Dat is elke x weer een groot genot!.

Wij sluiten onze reis door Rwanda zo feestelijk mogelijk af.

Sowieso iets vrolijker dat de BRUID (hieronder), want eerlijk gezegd zijn wij er nog niet helemaal uit hoeveel zin zij precies had in dit feestje........:

Een vriendelijke en vrolijke reisgroet,

Joan & Gerrit

Veldmuis

Tijdens een fietsreis in Zuid-Amerika – alweer heel wat jaartjes geleden – heb ik me laten overhalen. Dat gebeurt mij niet zo snel, dat overhalen, ik ben behoorlijk standvastig, maar deze keer lukte het iemand.

Iemand met een stoere legerjeep, die speciaal mij voor – net iets te veel omgerekende europegeltjes – wel een uurtje of wat zou rondrijden door een of ander net iets te groen en net iets te vochtig, tochtig en tropisch regenwoudbos. En dan zou ik gegarandeerd de BIG FIVE zien. Ach lieve lezer, U kent ze wel. De BIG FIVE! Wie kent ze niet.

Niet!? U zegt? Dat valt mij zwaar van U tegen lieve lezer.

Nou dan toch maar even terug in de schoolbankjes. De BIG FIVE zijn: de leeuw, de olifant, de pakezel, de regenworm en last but zeker not least: de veldmuis.

Die ervaring, die rondrit, dat uren waggelen en baggelen in een legerjeep, leverde zegge en schrijven het volgende op qua wilde dieren: nul komma nul. Niente. Knots. Nothing. Zero. Niets gezien.

Ik was niet alleen teleurgesteld, ik nam me ook voor om zo’n safari-legerjeep-big-five-koekeloertrip ECHT nooit meer te doen. Ik mis er niks aan en houd mijn europegeltjes voortaan in m’n broekzak.

Later kwam daar nog een inzicht bij, en een daarmee samenhangend onwrikbaar principieel besluit: ik vind dat we wilde dieren met rust moeten laten. Hun biotoop ook. Die dieren gewoon lekker wild laten zijn. Laten we mens en wilde dieren strikt gescheiden houden.

Ik ga dat dus gegarandeerd nooit meer doen! Echt niet!!

Ik weet ’t, dat met rust laten doen wilde dieren zelf ook niet altijd. Ik zeg: de wolf, die schijnbaar in onze Hollandsche woonwijken moet rondneuzen. Maar goed, die beesten hebben dat principiële besluit wellicht nog niet genomen, of zijn er nog over in overleg. Ik heb vernomen dat de notulen van de laatstgehouden knoop-doorhakkende en allesbeslissende opper-wolven-bestuursvergadering (ergens midden op de Veluwe gehouden) nog niet zijn goedgekeurd en dat een vervolgvergadering noodzakelijk is. Echter, die is door recente en hevige sneeuwval tot nader order uitgesteld. Vandaar: nog geen besluit. Dus.

Lieve lezer.

Wij bevinden ons momenteel in Akagera National Park te Rwanda. Ja, ik weet ’t, het is een ietsje-pietsje vreemde en wat onverwachte overgang. En u had het van mij ook niet verwacht. Ik ook niet van mezelf kan ik U meedelen. Ik weet potdomme ook niet hoe we hier terecht zijn gekomen.

Akagera National Park ligt in het oosten van Rwanda en was ooit een groot en rijk wildpark, maar kreeg een dramatische wending na de genocide van 1994, toen honderdduizenden Rwandezen terugkeerden uit Tanzania en Oeganda en zich – noodgedwongen – ook binnen de parkgrenzen vestigden.

Het park werd daardoor in 1997 met ruim de helft verkleind om ruimte te maken voor bewoning, akkerbouw en vee. In de chaos na de genocide kregen boskap en stroperij vrij spel, waardoor veel diersoorten, waaronder leeuwen en neushoorns, verdwenen. Het was een tijd dat het park eerder een nood-vluchtelingenplek was dan een wildreservaat.

Sinds 2009 werkt Rwanda samen met African Parks aan herstel en bescherming van Akagera en worden roofdieren en andere wilde dieren opnieuw uitgezet.

Vandaag de dag is Akagera National Park ongeveer 1.120 km² groot.

Nu kun je er in het bezoekerscentrum een kaartje kopen en met je autootje er doorheen rijden. We nemen een gids mee, die de plekken zou kennen waar je de dieren kunt zien. Eerlijk gezegd ben ik enigszins terughoudend en heb ik mijn metseltouw der verwachting niet al te hoog gespannen....maar op enkelhoogte. Zo dat een eventuele struikelpartij me niet meteen volledig fataal zal worden.

We staan om vijf uur ’s ochtends op, rijden via een bruinrode gravelweg naar het park en starten rond zeven uur. En eerlijk is eerlijk: ik rijd na een half uur met mijn nog niet geheel wakkere hoofd (en dit is echt gebeurd) bijna onder een giraffe door. Ja, die poten zijn hoog genoeg om er met een bescheiden huurautootje onderdoor te slalommen. Het is dat Joan zo wakker is om me te waarschuwen. Anders had het nog wel 's lelijk kunnen aflopen voor de giraffe.....

Ik rem precies op tijd, had 'm toch bijna van z'n steunkousen gereden. Ik stap uit, bied de toch wel wat geschrokken giraffe mijn welgemeende excuses aan en stamel nog iets over dat ik me eigenlijk ooit had voorgenomen om nooit meer i…

Lieve lezer. Ik zal mezelf een ietsje pietsje beperken.

Het werd een prachtige tocht door een zacht glooiend savannelandschap waarbij we de Big Four hebben gezien. Dat levert deze plaatjes op: (onder de plaatjes gaat de tekst nog even een paar woorden door)

We hebben ze alle vier gezien. En niet alleen gezien. Ook nog even een praatje gemaakt. Even wat social talk gedaan.

U zegt lieve lezer: 'De Big Four'? Ja, de vijfde ontbreekt.

Ja, u heeft fijn meegeteld, lieve lezer…

Want de veldmuis.

Die was in geen velden of wegen te bekennen.

Levensgeel

Mijn vader stuurde me – ik moet ergens tussen de acht en tien jaar geweest zijn – regelmatig op pad om benzine te halen. Ik ben opgegroeid niet ver van de A28. Daar had je toen al, en heb je nog steeds, een tankstation. Niet ver van het viaduct “Bovenheigraaf”.

Via wat sluippaadjes door het bos liep je er in een minuut of tien naartoe. Je kwam uit bij een hek. Zo’n Herras harmonica-gaashekwerk. Er zat een gat in waar ik net doorheen kon kruipen. Ik bleef wel eens haken, maar wist me er altijd weer los te wurmen. Aan de andere kant liep ik als klein menneke naar het tankstation, tankte benzine en rekende binnen af en ging met het net verkregen goedje naar huis.

Het was natuurlijk hartstikke verboden om je zo op de snelweg te begeven. Maar de benzinepompbediende kende me. Meneer Van den Bosch. Hij deed er nooit moeilijk over. Ook niet toen ik vele jaren later ditzelfde kunstje nog regelmatig uithaalde, maar dan om een zak Venco katjesdrop te kopen. Die ik, nog voor ik thuis was, alweer achter de kiezen had. Voor het toen heel redelijke bedrag van één gulden en vijfentwintig cent.


Rwanda zet stap voor stap vooruit op de economische ladder. Het land is bovendien opvallend goed georganiseerd. En toch behoort het nog steeds tot de armste landen ter wereld. Een groot deel van de bevolking leeft onder of rond de armoedegrens.

Dat georganiseerde zie je onder meer aan de netheid. Het land is schoon. Bijna geen afval op plekken waar het niet hoort. Een ander opvallend feit: Rwanda kent een streng landelijk verbod op plastic draagtasjes. Productie, import, verkoop en gebruik zijn verboden en overtredingen worden stevig beboet. Het resultaat is opmerkelijk – zeker voor Afrikaanse begrippen: spik en span schone straten.

Nu zou u kunnen denken dat Rwanda dit heeft afgekeken van ons kikkerlandje, met ons plasticbeleid sinds 2016. Maar niets is minder waar, lieve lezer. Rwanda voerde dit verbod al in, in 2008!

De armoede zie je hier onder meer terug in de gele jerrycans. Ze bepalen het straatbeeld. De gele jerrycan is van levensbelang. Ze voorziet veel Rwandezen in hun eerste levensbehoefte: water. Als je geld hebt, geef je fietstaxi's opdracht water voor je te halen. Mensen lopen soms kilometers om ze zelf te vullen. Kinderen lopen ermee te zeulen.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar er gaan bij mij dagen voorbij dat ik de kraan thuis opendraai zonder te denken hoe speciaal dat is. Dat er, door simpel aan een knop te draaien, water verschijnt. Soms warm. Soms koud. Als je tenminste de goede kant op draait.

In Rwanda is stromend water in huis geen vanzelfsprekendheid. In de hotels waar we verblijven gaat het soms goed. Maar vaak ook niet. Regelmatig is er niets. Vaak is er een klein pielestraaltje. Soms gaat het goed. Maar dat geldt voor de hotels. Die hebben vaak nog iets van een leiding waar water doorheen kán komen. Veel Rwandezen hebben zelfs dat niet. Zij zijn aangewezen op openbare tappunten en putten. En daarom zie je hier overal mensen lopen en fietsen met gele jerrycans. Op weg naar de dichtstbijzijnde plek waar water te halen is.

Het verhaal over dat benzine halen was ik eigenlijk vergeten. Tot ik hier iedereen in de weer zag met die gele jerrycans. Geel. Met rode dop. Ik herkende ze meteen.

Met precies net zo’n jerrycan haalde ik vroeger benzine om de brommers van mijn vader en moeder aan de praat te houden.

Hier houdt de inhoud van diezelfde jerrycan mensen in leven.

Vastlopen

Lieve lezer,

Toeristen die menen dat ze de eersten zijn die ergens komen. Dat zij “ontdekkers” zijn. Dat zij de eerste westerlingen zijn die een stoffig dorp ooit zijn binnengereden. Dat zij dat zandkorrelige bounty strand als eerste ontdekt hebben.....

Geloof er maar niets van. De wereld is inmiddels volledig in kaart gebracht, dicht bereden, gefotografeerd en beschreven. Alles is al ontdekt. Je bent altijd de zoveelste.

Nee, dan de Egyptenaren. Die pyramideknakkers waren er vroeg bij. Die hadden duizenden jaren geleden al contact met volkeren uit Nubië en verder zuidelijk Afrika. Of de Grieken en Romeinen: die vanaf zo’n 500 jaar voor Christus al schreven over mensen uit Afrika ten zuiden van Egypte. Kijk, die hadden pas echt recht van spreken.

Joan en ik zijn inmiddels aanbeland in het noordwesten van Rwanda. Geografisch zo’n beetje het Groningen van Nederland. Ons doel: de Twin Lakes. Zegt u waarschijnlijk niets – en dat houden we ook nog even zo.

Om er te komen hebben we een route bedacht die al snel iets té avontuurlijk blijkt. Een asfaltweg wordt een asfaltweg-met-gaten. Die gaat over in een keurige gravelweg, die weer verandert in een minder keurige keienweg, en uiteindelijk in iets wat vooral uit rotsen bestaat en nauwelijks nog op een weg lijkt.

Rijden wordt kruipen. Sturen wordt gokken.
En dan is het klaar.

Achteruit. Draaien. Keren. De aftocht blazen.

Op de heenweg waren we door een klein dorpje gereden. Afgelegen. Stil. We waren er behoorlijk nagekeken. Dus stoppen we nu toch maar. Even eruit. Even kijken.

We glimlachen. Veel. Zij ook.
Geen grote gesprekken. Geen gedeelde taal. Alleen blikken, nieuwsgierigheid, gegniffel, kinderen die net iets te dichtbij komen en dan weer wegrennen. Contact via glimlach en gebaar. Hotze knots Engels. En dat blijkt meer dan genoeg.

Nu hebben we echt niet de illusie dat wij de eerste blanken zijn die dit dorpje aandoen. Echter we kunnen ons ook niet geheel en al aan de indruk onttrekken dat hier niet elke dag en zeker niet dagelijks qua overdag een muzungu (een blanke) door het dorp loopt.

Het zijn de mooie momenten die je niet plant en bedenkt, maar die spontaan ontstaan omdat je in je voorgenomen plan vastloopt. En precies daarom wil je het vasthouden.

Hierboven en -onder een aantal foto’s die we in dit dorpje maakten:

W.G van der Hulst-gelul

Lieve lezer,

Er zijn veel momenten waarop ik niet met u zou willen ruilen. Heel veel momenten! (& u ook niet met mij naar alle waarschijnlijkheid, maar dit geheel terzijde). Maar nu – op dit moment – kijk ik daar voor 1 keer toch net even ietsje pietsje anders tegenaan. Ik zou namelijk best wel een dagje of wat met u van plaats willen verwisselen. Even zijn waar u bent. Waar U nu verblijft.

Wij zijn van het zuiden naar het noorden getrokken in een kleurrijk – er is altijd wat te beleven – Rwanda. Wat is er hier veel te zien, wat is er veel te ervaren. De hoeveelheid prikkels die op een dag onze hersenbreinen binnenzwemt, is niet te tellen en eigenlijk ook nauwelijks te verwerken.

We rijden door tropisch regenwoud en maken een fijne wandeling in NYUNGWE NATIONAL PARK . Groen in alle schakeringen. Geluiden die ik niet kan thuisbrengen. Geuren die blijven hangen.

U hoort mij niet vaak over geld zeuren (goedkoop of duur), maar Rwanda heeft toeristje pesten zo ongeveer uitgevonden. Honderd dollar entree (pp) bij de Nationale Parken, en dan moet je nog verplicht een gids huren die je met raad en daad terzijde staat. In het noorden van Rwanda kun je gorilla’s kijken voor het onprettigebedrag van 1500 dollar per persoon (enneeh….dit is geen typvoudt…..) mag je een uurtje met die beesten op de foto en daarna een wedstrijdje doen om raden wie de Gorilla is en wie .......... laat maar).

Nu waren wij dat kijken naar gorilla’s helemaal niet van plan. Niet omdat het verstoren van het leefgebied van die beesten ons niet aanstaat – tuurlijk niet. Laat ze de klere krijgen die Gorilla’s met hunnie gekke kunsten, rare fratsen en vreemde apenstreken. Maar Joan en ik hebben collega’s. Net zulke vreemde wezens….. En daar kan je gratis naar kijken. De hele Godganse dag. Houden we lekker mooi die 1500 dollar per persoon in onze eigenste broekzak. Mocht U lieve lezer en collega zijn, zeg maar die combinatie, ik bied geen excuses aan, krijg de klere, zoek het maar uit.....

We trekken - door sterk heuvelachtig gebied - in twee dagen tijd noordwaarts, richting de grens van Congo. We rijden daarbij langs Lake Kivu. Een binnenlands meer ter grootte van 2700 m2 kilometer. Eindeloze vergezichten, vissersbootjes, mistflarden in de ochtend.

We rijden langs de grootste theeplantages die ik ooit gezien heb. Vrouwen – het zijn altijd weer de vrouwen – die de jonge blaadjes plukken en in manden afdragen.

Van tijd tot tijd stoppen we en bestellen een bak soep. Tussen bestellen en het daadwerkelijk geserveerd krijgen van iets wat op een eetbaar spulletje lijkt, moet je in Rwanda gerust anderhalf tot twee uur de tijd nemen. Het duurt hier overal – zonder enige uitzondering – een eeuwigheid. We kopen steeds vaker een brood, zoeken een fijn plekje, besmeren dat en peuzelen dat dan op. Kost minder tijd. En minstens zoveel plezier.

We stoppen bij in een stoffig dorpje, parkeren er onze auto (krijgen een bekeuring van omgerekend 12 euro), en verkennen het marktje. In mum van tijd zijn wij de bezienswaardigheid, terwijl wij hunnie een bezienswaardigheid vinden. Een en ander is wat lastig te combineren kan ik u zeggen….

Ik ken geen jaloezie. Ik kan prima zien dat andere mensen iets hebben wat ik niet heb. Nog sterker: je mag alles van me hebben. M'n kippen, kom ze maar halen. Een nog glimmendere leaseauto, je mag 'm hebben. Nog meer salaris in m'n loonzakje, ik hoef 't niet (hoop overigens dat mijn werkgever deze laatste zin niet al te serieus neemt....ik kan 'm eigenlijk beter deleten....). Maar echt: Ik heb in de basis niet veel nodig. Echt niet.

Maar toch ben ik, voor deze ene keer, stinkend jaloers op u.

En dat heeft alles met één onderwerp te maken: Hollandsche sneeuw.

Hier is het warm. 25+ graden. Een fijne droge warmte. De weinige regen die hier valt lauwwarm. Wind waait hier niet. De aarde is rood. De planten lijken op onze kamerplanten maar dan groter. Veul groter! Alles groeit. Alles beweegt. Alles leeft. Prachtig. Overweldigend hier. Maar ergens, diep in mij, zit een verlangen naar kou aan mijn wangen. Naar dat gedempte geluid van een wereld onder een vers pak sneeuw. Naar voetstappen die kraken. Naar.......

Afijn, genoeg W.G van der Hulst gelul.

Lieve lezer. Kunt U niet een heel klein beetje sneeuw naar ons sturen. In een enveloppe?!

Een paar vlokjes is in principe al genoeg.

DichtDruk

Lieve lezer. Pak uw eigenste uitklapbare wereldkaart er eventjes bij.

Flikker die legpuzzel van tafel (wordt toch niks, komt toch niet af — en dat komt....... eerlijk is eerlijk, omdat ik er enkele stukjes uit heb gehaald. Ik dacht: ik ga u even FF'en (Flink Fucken). Gooi dat zwakzinnige brandende peertje het raam uit, trap die puzzelige leesbril met één ferme trap aan snot en vouw uw eigenste wereldkaart uit op de ruimte die zo is ontstaan.

Zoek naar het continent Afrika en gooi de dartpijl net iets onder het midden van dit werelddeel. Loop naar het dartbord en zie dat u waarschijnlijk uw oog heeft laten vallen op Burundi. In dat geval: gooi de dartpijl nog een keer, maar dan ietsje hoger. Hoppa, RAAK! Dat is Rwanda.

U ziet dan dat Rwanda ongeveer zo groot is als een POSTNL-postzegel. En dat klopt ook wel. Rwanda is kleiner dan Nederland. Meet Nederland iets van 41.000 km², bij Rwanda kunt u bij 25.000 km² gerust stoppen met tellen. Oftewel: Rwanda past ruim anderhalf keer in Nederland. Maar rustig is het er allerminst.

Want eh… waar Nederland circa 18 miljoen inwoners telt, heeft Rwanda er een slordige 14,6 miljoen. ‘Slordig’, omdat ik tijdens het tellen een beetje werd afgeleid en steeds weer opnieuw moest beginnen om u van adequate cijfers te voorzien. Ja, dan was ik bij 13 miljoen vierhonderd zesenzeventig....., zat er weer iemand doorheen te praten… potdomme, kon ik weer helemaal overnieuw beginnen. Dus lieve lezer: ik kan er één of twee naast zitten. Dat zou kunnen. Daar moet u me niet op afrekenen; dat zou flauw zijn. Behoorlijk flauw zelfs!

Afijn.

Kortom: Rwanda is dichtbevolkt en druk. Heel druk. Nederland is — zoals u ook wel weet — ook bepaald geen stiltegebied, maar Rwanda doet er nog een schepje bovenop. Dit maakt dat als je langs Rwandese wegen trekt, je altijd mensen ziet. Mensen die druk in de weer zijn met van alles en nog wat. Je kijkt je kleurrijke ogen uit.

Vandaag — nieuwjaarsdag — zijn er nog meer dan anders mensen langs de weg. Ze zien er op hunnie Paasbest uit. Op nieuwjaarsdag gaan veel christenen (95% van het land is christen) in de ochtend naar de kerk. Daar zingen en dansen ze en bidden voor vrede en gezondheid.

Het vervoer van spullen — rijst, kratten bier, hout — gebeurt vaak per huurfiets, maar net zo goed per brommer of kleine vrachtwagen. Honderden mensen zie je op een dag met een afgeladen fiets óf brommer de berg op zeulen (vaak duwend) en de berg vervolgens met vliegende vaart afdalen. Zo worden goederen afgeleverd bij de besteller. Goederen worden (veelal) door vrouwen ook op het hoofd vervoerd.

Mocht u van Rwandese bestemming A naar B willen, dan kan dat met een auto (veruit het duurst) of een taxibusje of touringcar. Veel goedkoper is dit per brommer te doen. Er rijden duizenden van die brommertjes rond die je vragen waar je heen moet. Een helm voor de bijrijder heeft de brommer standaard aan boord. Nog goedkoper is het om je per fiets te laten vervoeren.

Rwanda zit ingeklemd tussen Burundi, Tanzania, Uganda en het westelijk gelegen Congo.

Rwanda heeft spanningen met buurland Congo. Rwanda claimt dat dit te maken heeft met het beschermen van de Tutsi-minderheid in Oost-Congo. Congo vindt dat flauwekul en zegt dat Rwanda vooral haar oog heeft laten vallen op de waardevolle grondstoffen die Congo herbergt. Ziehier: een ingewikkeld en hardnekkig conflict, met meer ingewikkelde geopolitieke lagen dan een gemiddelde bladerdeegtaart (van taartjes van tootje – sluikreclame, ik weet ‘t, maar ik werd hiertoe gedwongen…).

Joan en ik reizen zo ongeveer van de grens met Burundi richting die van het westelijk gelegen Congo. Maar een kilometer of vijftig voor die grens gaan we noordwaarts. Het wordt afgeraden om je in het grensgebied te begeven, omdat spanningen daar snel kunnen oplaaien. En we willen de problemen niet opzoeken. Zeker niet.

Wij kiezen eieren voor onze Ruwandese Franken & gaan noordwaarts.

Legpuzzel

De puzzel is gelegd, lieve lezer.

Het was nog een heel geklooi om een geschikte tafel te vinden voor een puzzel van 1 miljoen stukjes. En toen we die gevonden hadden moesten we op zoek naar een zwak brandend peertje. En een lees-achtige puzzelbril. En toen dat allemaal gevonden was hebben we ons over deze puzzel gebogen. Maar het is gelukt. We hebben onze fietsen noodgedwongen in de parkeerstand gezet en verkennen Rwanda vanaf nu per auto. We hebben een toet-toet-boing-boing-mobiel gehuurd en trekken de komende weken zo het land door.

Want natuurlijk laten wij u niet in de steek. Dacht u echt dat wij dat zouden doen?! Tuurlijk niet!

Het is potdorie het laatste jaar dat u vuurwerk mag afsteken. Dus een heel gemakkelijk leven heeft u het al niet. En dat allemaal om de oogartsen ook eens een fijne jaarwisseling te bezorgen, evenals de honden en katten. Boze tongen beweren — er wordt gefluisterd — dat die, honden en katten dus, volgend jaar ook op de lijst van verboden dingen komen te staan. Net als zwarte Piet.
Ook heb ik in de wandelgangen gehoord dat het oliebol knagen en appelbeignet-herkauwen vanaf 2028 ook passé is. Het wordt er allemaal niet leuker op. Voor u.

Reden genoeg voor ons om u op de hoogte te blijven houden van onze belevenissen.

Gisteren huurden we dus een auto. Die konden we na twintig kilometer alweer inleveren. Kaduuk. Inmiddels hebben we er één die het hopelijk enkele tientallen kilometers langer volhoudt.

We bezochten het Murambi Memorial. Eerder vertelden we al dat er ruim dertig jaar geleden een korte maar gruwelijke burgeroorlog in Rwanda woedde die één miljoen mensenlevens eiste. In Kigali bezochten we het Nationaal Genocide Museum. Gisteren reden we — per auto — naar het Murambi Memorial.

Hier zijn op één dag op 21 april 1995 vijftigduizend Tutsi’s vermoord.
Op één dag.

De Tutsi’s hadden zich namelijk verschanst in een school in aanbouw. Daar waanden zij zich veilig. Het tegendeel bleek waar. Ze vormden een gemakkelijk doelwit voor de Hutu’s. De school werd omsingeld en binnen één dag werd vrijwel iedereen vermoord. Slechts vierendertig mensen overleefden de slachting. Daarna groeven de Hutu’s rondom het gebouw grote kuilen (massagraven). De lichamen werden met bulldozers in de gaten ‘geschoven’. Grond erover. Klaar.
Deze moordenaars trokken een dag later, een heuvel verder, en daar vermoordden ze 15.000 mensen die zich in een kerk verschanst hadden……

Tjonge…

Via een bergachtige en slingerende asfaltweg bereiken we het memorial. Tot onze verbazing zijn we de enige bezoekers. Er heerst een serene rust. Niet voor te stellen welke gruwelijkheden zich hier, op zo’n mooie en stille plek tussen de heuvels, hebben afgespeeld.

De rondleider van dienst loopt ons al tegemoet. We krijgen een privérondleiding. Rondom de school zien we de grote massagraven. Deze zijn door de overheid geopend. Van veel lichamen heeft men de namen kunnen achterhalen; de lichamen liggen nu in aparte gebouwen opgebaard (of, zoals de gids ons vertelde: tentoongesteld voor educatieve doeleinden) in de houding waarin ze gevonden zijn.
Door één gebouw lopen we. Aanschouwen we de resten van lichamen. De rest slaan we over. Dit is te gruwelijk. Meer lichamen aanschouwen zou ook niets toevoegen aan onze ervaringen.....


Wat stilletjes geworden door de recente ervaringen rijden we door naar de zuidelijk gelegen universiteitsstad Butare. Het is wennen: reizen per auto in plaats van per fiets. Maar het eerste voordeel is meteen duidelijk — dit memorial hadden we fietsend nooit kunnen bezoeken. Qua afstand en klimwerk was dat simpelweg niet haalbaar geweest.

Onderweg stoppen we regelmatig, maken praatjes met mensen en maken — met toestemming — wat foto’s. We moeten nog even indraaien, maar Rwanda is zo levendig en kleurrijk. Het land zal ons er wel doorheen trekken.

Wat niet helemaal meehelpt, is dat we op een vreemde plek overnachten. Het is lastig er de vinger achter te krijgen, maar er klopt iets niet. De route ernaartoe is ‘avontuurlijk’ — hobbelend en bobbelend over een modderige zandweg. De ontvangst is vreemd, de indeling van het gebouw gek en de kamer rommelig. Rare sfeer. Maar goed, voor één nachtje zal het best wel gaan.

Tot slot: Joan en ik willen jullie bedanken voor de goede zorgen en fijne tips die jullie gaven.
Jan: we gaan zeker kijken of er ergens nog wat te fietsen valt op een MTB of e-bike.

Rest ons iedereen een gezond en fijn 2026 te wensen!

Puzzelgepiel

Het is helemaal niet zo dat ik er het geduld niet voor zou hebben. Of dat ik het niet zou kunnen. Echt wel.

Een paar duizend losse stukjes aan elkaar leggen, duizend stukjes die samen een geheel vormen en iets gaan uitbeelden: een kerk, een landschap, een zwaan, een kat, een verzilverde schoenlepel, een goudvis, een berglandschap, een jongetje die liggend op z'n buik een paardenbloem pluizenbol probeert weg te blazen. Ze verzinnen de gekste dingen. Ik zou het dus best kunnen, maar ik zie gewoon de zin er niet van in. Nut en noodzaak ontgaan me volledig.

Dat je eerst een plaat maakt en die vervolgens in duizend stukjes verdeelt. Dat je al die losse stukjes in een kartonnen doos kiepert, die in een etalage zet, verkoopt, en dat er dan mensen zijn die denken: goh, dat is leuk, een plaat in duizend stukjes. Laat ik die eens kopen en laat ik die duizend stukjes eens proberen aan elkaar te boetseren en te kleien. En daar ook nog geld voor betalen......

Kijk, dat je die kutpuzzels produceert, dat begrijp ik nog wel. Maar dat je die krengen koopt…

Hele avonden voorovergebogen onder een zwak peertje, met een leesbril van de ETOS, een beetje puzzelstukjes zitten zoeken. Man, wie heeft die hobby in godsnaam bedacht?! Had die plaat potdomme heel gelaten. Sla een spijker in de muur en had dat ding aan een muur naar keuze geknald. Boven je bed, boven de walmende houtkachel, achter de wasemkap – weet ik veel. Maar in elk geval had dat een hoop geld, tijd en puzzelgepiel gescheeld.

Lieve lezer.
Voordat onze fietsreis door Rwanda goed en wel begonnen is, is die ook alweer afgelopen. Ja, u leest het goed: afgelopen. En dat terwijl de fietsdag gisteren nog zo goed begon.

We hadden goede zin. Na de Turkse tweedaagse vertragingsdagen waren we op Rwandese aarde geland, sleutelden onze fietsen in elkaar en togen wij ’s ochtends op onze karretjes om de Rwandese asfalt- en zandwegen met een bezoek te vereren. Joan en ik voelden ons voldoende uitgerust om eindelijk te beginnen. En de eerste tekenen waren hartstikke positief. De mensen leken gruwelijk aardig. De zon scheen. Het was een graad of 25. Nog niets aan de hand. Nog niet.

Rwanda is kleurrijk, dichtbevolkt en elke fietsmeter is er wat te beleven. Een winkeltje dat zijn waar uitstalt. Een jongen die houtskool verkoopt om op te koken.

De hoofdstad Kigali uitrijden is niet super ingewikkeld, maar het drukke verkeer zorgde er toch voor dat we een kilometer of acht de verkeerde kant op reden. Daarna vonden we de route snel terug. Rwanda is het land van de ‘duizend heuvelen’. Dat leest een stuk sneller dan dat je ertegenop fietst. Tegen die heuvels, bedoel ik dan. De klimmen zijn lang, de afdalingen kort en er is geen vlakke fietsmeter in het land te bekennen.

Na een paar uur zwoegen kwamen we – het was eerste kerstdag – langs een kerk waar een dienst gaande was. We stopten en meteen werden er twee stoelen voor ons bijgeschoven. Joan zong het Ere zij God uit volle borst mee; ik deed vrolijk mee. Alleen al omdat we de stille hoop hadden dat de komende uren de heuvels ons goedgezind zouden zijn.

De dag begon zijn tol te eisen. Ik nam wat extra bagage van Joan over om haar te ontlasten, maar ook dan bleef het een taaie onderneming. Bij Joan begonnen oude bekenden zich te melden: een knie die vochtgevoelig werd en een tennisarm die zich weer liet gelden. Niets dramatisch, maar genoeg om elke klim net iets zwaarder te maken.

We waren inmiddels al een uur of vijf onderweg toen het begon te regenen. Dat wisten we: het is regentijd in Rwanda en elke dag valt er wel een half uur regen. Geen motregen, maar knalharde buien. Zo’n bui trof ons halverwege een heuvel. Schuilplekken zijn schaars, dus we fietsten door.

Boven aangekomen waren we drijfnat. We konden schuilen in een hokje waar al een man of tien stond. Als haringen in een stonden we daar. Een gezellige, natte boel. Ik overwoog nog even om aan de aanwezigen voor te stellen samen een puzzel te leggen, maar heb daar na rijp beraad toch maar van afgezien. Er bleek namelijk geen zwak ETOS peertje voorhanden te zijn en voor vooroverbuigen was domweg geen ruimte. En was ook bang dat we net iets te lang zouden moeten vergaderen over welk puzzel het zou moeten worden. Ik heb de mogelijkheid dus laten waaien.

Het begon te schemeren. We hadden (slechts) 45 kilometer gefietst. Net voor het donker viel, belandden we in een vreselijk slecht onderkomen. Ik zal u de details besparen, maar dit was ver onder de maat. Veel keus hadden we niet. Hier zouden we de nacht doorbrengen, hier moesten we het mee doen. Joan was gesloopt.

Dat was gisteren.

Vandaag.
Na twee klamme ontbijtboterhammen met chocopasta – die misschien toch eens zou moeten overwegen om 's een jaar of tien stage te lopen bij de firma Nutella – stapten Joan en ik weer op. Het wegdek liep eerst nog omlaag, maar ging daarna onverbiddelijk omhoog.

En lieve lezer, soms is het simpel. Na tweeënhalve kilometer werd duidelijk dat het lijf andere plannen had dan wij. De knie hield zich niet koest, de arm evenmin, en de heuvels deden er nog een schepje bovenop. We stopten, overlegden en besloten. Zo klaar als een klontje.

Het was klaar. Rwanda bleek, in deze vorm, een fietsbrug te ver.

Ik regelde een auto, laadde de fietsen erop en liet ons naar de eerste stad van enige betekenis brengen. Daar wist ik toevallig een fatsoenlijk hotel waar Joan kon herstellen en waar we daarna samen – gezellig en onder een zwak brandend peertje – konden werken aan de volgende puzzel: de hoe-gaan-we-verder-in-Rwanda-reizen-legpuzzel.

En ja, lieve lezer, we zullen uw tip opvolgen.
We beginnen met de randjes.